Travel stories – NL

Share this

Some adventure stories from Ecuador, Bolivia and Venezuela.

  • Ecuador: Cueva de los Tayos – a mysterious cave in the jungle.
  • Ecuador: Shuar indians.
  • Ecuador: Climbing Cotopaxi volcan.
  • Venezuela: Hiking in the Andes Sierra Nevada de Merida.
  • Bolivia: Inca trail Yunga Crz.

Cueva de los Tayos – a mysterious cave in the jungle.

OOG IN OOG MET DE DUIVEL (gepubliceerd in het Jose Marti Journaal, 1994)

Rolf Smeets trok twee weken door het oerwoud van Ecuador in gezelschap van Shuar indianen, een stam nauw verwant aan de Ashuar waar Philippe Descola onderzoek naar deed. Smeets kreeg tijdens die reis de Duivel van de Grot te zien, voor een blanke een ongewoon voorrecht. Enkele fragmenten uit zijn reisverslag.

In Banos ontmoette ik Antunish. Hij was een Shuar indiaan die, zo bleek al snel, een hekel had aan het jungletoerisme zoals dat in Ecuador plaatsvond. Zijn stellige overtuiging was dat toerisme in door indianen bewoonde gebieden alleen maar mocht plaatshebben met instemming van en begeleid door de indianen zelf. Toeristen zouden zich geen pottenkijkers moeten voelen en tijdens een tocht net zo moeten leven als de indianen. Dit idee sprak me erg aan. We spraken af samen een langere reis te maken. Een spectaculaire rit, afdalend naar het laagland, vormde het begin van de tocht.

In Santa Ana, een nederzetting van enkele Shuar families, woont Enrique, de vader van Antunish. We krijgen een welkomst maal van gekookte zoete yucca. Voor de Shuar is het aanbieden van eten of drank de wijze waarop een gast welkom wordt geheten. Een dergelijke maaltijd afslaan is onbeleefd.
Het is al laat in de middag. Over de Rio Pastaza die zich voor ons uitstrekt, beginnen zich nevels te vormen. Grote groepen vogels in allerlei kleuren verzamelen zich in de bomen rondom de hut. De tamme slingeraap en de zongo-zongo, een soort leeuwaapje, zijn met elkaar uitgespeeld en zitten in een hoekje op de veranda. In het licht van de ondergaande zon tekenen zich de toppen af van de vulkanen Sangay en El Altar. De rokende Sangay, die nog regelmatig erupties heeft, is een heilige berg voor de Shuar.
Per bus, met varkens op het dak, en met een pick-up truck gaat de tocht vervolgens naar Chuwitayo. We zijn vanaf Banos al ruim 1500 meter gedaald. Een enkele keer opent zich het bos. Voor me ligt een landschap met oneindig uitgestrekte bossen. In de verte kronkelen enkele rivieren. Als ik mijn handen achter mijn oren plaats om ze als versterkers te laten dienen, gonst het van de geluiden die uit het oerwoud opstijgen. Ondertussen zijn we in Shuar gebied aangeland. Er zijn vrijwel geen hutten van kolonisten meer te zien op de weg. Alle mensen die we onderweg passeerden, waren Shuar. In Chuwitayo gaan we te voet verder.

Het pad loopt door het bos en soms langs de rivieroever. We volgen een zij armpje van de rivier. In de bedding staan tussen het grijze zand poeltjes met water. Er zwemmen kikkervisjes en groepen jonge visjes. In het gefilterde zonlicht scheren vlak boven het water talloze libellen. Overal vliegen vlinders.

We bereiken een enorme overhangende rots. Op een honderdtal meters hier vandaan ligt de grot van de Tayos. De Tayos zijn nachtvogels, familie van de nachtzwaluwen en hebben zich met hun nachtelijke, onheilspellende gekrijs en hun oplichtende ogen een plek in de mythologie van de Shuar verworven. Er zijn veel verhalen die de ronde doen over de grot. Mensen zouden er spoorloos in zijn verdwenen en er zouden jaguars en anaconda’s leven die zich nooit in het daglicht vertonen.
Samen met Enrique en Alejandro, de broer van Antunish, overnachten we onder deze rots aan de oever van de Pastaza rivier. De rots speelt een belangrijke rol in een legende. Lang geleden waren er een man en een vrouw, beiden Shuar, die tijdens een tocht in het bos verdwenen. Bezoekers van de grot, die overnachtten onder dezelfde rots als waar ik nu met mijn vrienden lag, hoorden vreemde geluiden en sommigen vonden zeer grote voetafdrukken van mensachtige oorsprong. Zo ontstond het verhaal dat de duivel van de grot beide indianen had gevangen en veranderd in een ander wezen dat in de grot woont en er ‘s nachts rond doolt. Niemand heeft dit wezen ooit duidelijk gezien. Deze duivel van de grot zou een dierlijke gestalte hebben en zou af en toe vluchtig waargenomen zijn bij de rots, als hij naar de rivieroever ging om te drinken.

Die bewuste nacht liggen we onder de rots te slapen. Midden in de nacht word ik gewekt door luid geritsel van bladeren er takjes en zie ik een dier dat ik niet kan thuisbrengen. Traag kruipt het de helling op om uit het zicht te verdwijnen. Verwondert draai ik me om en val met een vreemd verbaasd gevoel weer in slaap. Enige tijd later word ik weer wakker en zie het dier weer bovenaan de helling, totdat het weer verdwijnt.
De volgende ochtend vertel ik wat ik gezien heb. Allen kijken me aan en beweren met enig ontzag in hun stem dat ik de ‘Duivel van de Grot’ heb gezien. Ik maak een schetsje van het beest en we bekijken het. De tekening lijkt op geen enkel bekend dier. Een merkwaardige ervaring op zijn minst. Ik weet niet wat ik ervan denken moet, maar voor de Shuar is het duidelijk wat ik gezien heb. Ik was bevoorrecht en pas de tweede blanke die de duivel gezien heeft.
Tot op heden heb ik geen idee welk ‘dier’ ik gezien heb!
Zeker in het begin leek alles in het bos zo op elkaar: Een grote verzameling groene tinten en vormen. Door de tocht met de Shuar was het oerwoud voor mij meer een soort levend wezen geworden. Als ik er doorheen liep, bespeurde ik iets ongrijpbaars. Geen angst maar een groeiend ontzag voor het bos maakte zich van mij meester. Ik voelde me een klein beetje Shuar geworden.

Met Shuar indianen de jungle in.

Een van mijn vaste verblijfplaatsen in het land is het plaatsje Banos. Ingeklemd tussen steile heuvels en aan de rand van de wild stromende Rio Pastaza heeft dit plaatsje een zekere bekoring. Een bezoek aan de rondom heetwaterbronnen gebouwde baden, is voor menigeen een welkome ontspanning.

Hier ontmoette ik ook Antunish, een Shuar indiaan. Al snel bleek dat hij een hekel had aan het jungletoerisme zoals dat in Ecuador plaatsvond. Hij was er ten stelligste van overtuigd dat toerisme in de indianen gebieden alleen maar kon en mocht als dat met instemming en begeleiding van de indianen zelf gebeurde. Toeristen zouden als gast moeten worden behandeld en tijdens een tocht moeten leven op de wijze van de indianen. Zo zou er tevens meer respect voor hun levenswijze ontstaan.
Dit idee sprak mij erg aan, want het aapjes kijken idee, zag ik zelf ook niet zo zitten. Ik wilde het oerwoud in en ook kennismaken met de indianen die er woonden. Antunish had er een oplossing voor bedacht door zelf tochten te gaan organiseren volgens het genoemde idee.

We spraken af om binnen enkele dagen een langere tocht te gaan maken. Daar we ook met boten zouden reizen zou de waterstand bepalen hoe snel en hoe ver we konden gaan.
We begonnen met een spectaculaire rit naar Puyo, een van de weinige grotere plaatsen aan de rand van het laagland. Puyo doet dienst als handelscentrum voor voornamelijk de kolonisten die in de omstreken wonen.

Het oostelijke laagland met een oppervlakte van 131.000 km2, bestaat in feite uit twee delen. Enerzijds uit de lage uitlopers van de Andes, anderzijds uit het vlakke Amazone gebied, ‘El Oriente’. Het laagste deel wordt door talrijke rivieren doorsneden. De belangrijkste rivieren zijn de Rio Coca, de Rio Napo, de Rio Pastaza en de Rio Santiago. Samen dragen al deze rivieren voor een belangrijk deel bij aan de watervoorziening van de Amazone rivier, die uiteindelijk in de Atlantische oceaan uitmondt.
Ecuador heeft (nog steeds) een groot potentieel aan bossen, grotendeels in de Oriente. De commerciële exploitatie van bossen is begonnen in de westelijke bosgebieden. Naast verschillende soorten hardhout vormden de rubberbomen die verspreid in de bossen voorkomen een belangrijke economische hulpbron. De commerciële houtkap heeft ook zeer veel bos op de oostelijke hellingen van de Andes doen verdwijnen.
Als laatste bosrijke gebied blijft nu de Amazonestreek over. Deze wordt niet alleen door houtkap bedreigd, maar ook en wellicht nog sterker door de vele kolonisten die achter de houtkappers aan trekken. De uitgekapte bossen worden door hen in akkertjes omgezet.
Behalve hout is ook olie is een belangrijk product afkomstig uit het Amazone gebied. Sinds 1923 wordt er in het noordoostelijke Amazonegebied door voornamelijk Amerikaans-Ecuadoriaanse maatschappijen olie gewonnen. Een ruim 500 km lange transportleiding vervoert de olie naar de kust bij Esmeraldas. Daar wordt deze in een raffinaderij verwerkt.

In de Oriente leven nog veel indianen, waaronder de Huaoranis, die langs de Rio Napo en Rio Curacay wonen, de Cofanes uit het stroomgebied van de Aguarico, de Achuar, de Canelos, de Secoyas en de Yumbos. In het zuiden leeft de Shuar stam met ruim 60.000 mensen. De indianen leven vooral van de jacht, visvangst, het verzamelen van eetbare planten uit het bos en kleinschalige landbouw.

Vanuit Puyo vervolgen we na een lunch onze rit naar Santa Ana. Hier woont Enrique, Antunish zijn vader. Er zijn opvallend veel vogels en we houden wedstrijdjes met de blaaspijp. Antunish geeft nog een rondleiding door de wilde tuin en vertelt veel over het gebruik van de planten die er staan. Ze zijn eetbaar, geneeskrachtig of worden als drug gebruikt.
De vader van Antunish is medicijnman en heeft grote kennis van de gebruiksmogelijkheden van de planten uit het bos. Iets wat de meeste indianen die ik had leren kennen trouwens hebben. Ik sta er steeds weer opnieuw versteld van als iemand even het bos in loopt en weinige minuten later terugkomt met een stukje boombast, een handvol bladeren of wat bloemen die dan als ingrediënt voor de maaltijd dient of als medicijn voor een schaafwond of snee gebruikt kan worden.
De dag is weer voorbij en in het licht van de ondergaande zon zien we de toppen van de machtige rokende Sangay en El Altar vulkanen. De Sangay heeft sinds mensenheugenis ontzag ingeboezemd. Voor de Shuar is het een heilige berg.

De volgende dag vervolgen we onze tocht richting Chuwitayo. Met een door een vrachtwagen motor aangedreven soort schietstoel steken we de rivier over en rijden met een bus door naar Palora. Onderweg passeren we de theeplantages van een blanke grootgrondbezitter. Door de mechanisering die hij heeft doorgevoerd, zijn veel mensen werkloos geworden. In een open pick-up vervolgen we de rit en komen in de voormiddag aan in Chuwitayo, de oversteekplaats van de Rio Pastaza. Ondertussen zijn we in Shuar gebied aangeland. Er zijn vrijwel geen hutten van kolonisten meer te zien langs de weg. Alle mensen die we onderweg passeren zijn Shuar indianen.
Het eindpunt van het eerste gedeelte van de tocht waarvoor we nog van openbaar vervoer gebruik konden maken, is bereikt. Aan de oever van de Rio Pastaza gebruiken we onze lunch en maken de rugzakken in orde. Van hieruit gaan we te voet verder. Een tocht van meerdere uren langs de rivieroever en over smalle paadjes brengt ons bij een enorme overhangende rots. Op een honderdtal meters hier vandaan ligt de grot van de Tayos. De Tayos zijn nachtvogels, familie van de nachtzwaluwen, en hebben zich met hun nachtelijk onheilspellend gekrijs en hun oplichtende ogen een plek in de mythologie van de Shuar verworven. Er zijn veel verhalen die de rondte doen over de grot. Er zijn mensen in verdwenen en er zouden jaguars en anaconda’s leven die zich nooit in het daglicht vertoonden.
Samen met Enrique en Alejandro, de broer van Antunish overnachten we onder deze enorme rots aan de oever van de Pastaza rivier. Daarbij vergezelt van fascinerende geluiden makende cicades.

We maken ons klaar voor een bezoek aan de grot. Onze uitrusting bestaat uit een stok en een zaklamp. We gaan gekleed in korte broek. Na een glibberige afdaling aan de grotingang bereiken we de rivier die uit de grot komt. Al wadend verkennen we de grot. Boven ons horen we de luidruchtige tayos rondvliegen. Ondanks dat ik weet dat het ‘maar’ vogels waren, ben ik onder de indruk van deze dieren en kan me goed voorstellen dat menigeen hier bang voor is geweest. Verder grot inwaarts ontdekken we vleermuizen. De grot blijkt echter nog meer levende wezens te herbergen. We vinden krabben, vissen, spinnen, sprinkhanen en andere insecten aangepast aan het nachtleven. Na een uur keren we om en beginnen aan de terugtocht. Na ons weer aangekleed te hebben vervolgen we onze tocht. Aan het eind van de middag bereiken we Uunt Pastas. Hier wonen enkele Shuar families bij elkaar en heb ik mijn volgende kennismaking met de huidige leefwijze van de Shuar.

In Uunt Pastas wemelt het van de vogels. Talrijke geel-zwarte vliegenvangers, kolibries en orupendula’s zitten in de bomen. Tijdens een korte wandeling naar de rivier zien we sporen van een tapir. Een enorme grote groen glanzende tor vliegt in het rond alsof het een helikopter is. De bossen langs de zanderige oevers van de rivier stralen een serene rust uit. Die nacht slaap ik vredig.
De volgende morgen vertrekken we vroeg om Timias te bereiken. Timias is niet meer dan een hut gelegen boven op een heuvel met een prachtig uitzicht op de Rio Pastaza.
Er woont een oude vrouw met een getatoeëerd gezicht. Zij is een van de drie vrouwen van een man die wij ‘Apua’ noemden. Apua is een van de meer gevreesde krijgers uit de oude dagen. Hij heeft als koppensneller een goede reputatie opgebouwd.
Na het genot van de chicha (gegiste yucca drank) maak ik nog een korte wandeling rond de hut. In het licht van de avondschemering zie ik een groepje toekans voorbij vliegen. Tijd om te gaan slapen.

De volgende dag lopen we door naar een andere hut van Apua. Daar woont een andere vrouw van de ‘headhunter’. De hut ligt aan de oever van de Rio Bobonaza. Op de weg erheen zie ik veel fraaie vogels onder andere de langstaart tyrant, de zwaluwstaart wouw, papegaaien, ijsvogels en vliegenvangers. Rondom de hut fladderen tientallen vlinders. Gedurende het lopen in het oerwoud was me al opgevallen hoeveel soorten vlinders er zijn. Elke volgende vlinder lijkt wel weer een nieuwe soort.

We staan aan het begin van het tweede deel van de tocht. De komende dagen zullen we ons in boten op de rivier bewegen. Nadat we wat extra eten hebben ingeslagen vertrekken we de volgende ochtend vroeg met twee boten. Met lange dunne palen punterend zakken we de rivier af. We moeten regelmatig de boot uit om te duwen of te slepen op de ondiepe plaatsen. De nacht verblijven we in een primitief uit palmbladeren gemaakt hutje dat we zelf in elkaar gezet hebben. ‘s Nachts klettert de regen op de bladeren.
De volgende ochtend blijkt het waterpeil gestegen. Gelukkig nog niet zo dat we niet verder kunnen. We vertrekken en bereiken in korte tijd Saasaim Entsa. We maken een hut van palmbladeren en maken ‘s middags met Antunish een verkenningstochtje in het oerwoud. Daar zien we spechten en we vinden een jonge uil.
‘s Avonds peddelen we de Rio Saasaim Entsa op, waar we een groep pauwen en vogels met oplichtende ogen zien. Aan de monding van dit fraaie riviertje liggen krokodillen die alleen met hun ogen boven de waterspiegel uitkomen. Antunish en ik gaan vissen voor het avondeten. In het volstrekte donker zitten we te wachten. Plotsklaps roept Antunish luid dat hij beet heeft. Ik zie hoe zijn lijn in het water verdwijnt en hij met lege handen komt te staan. Een ruk aan mijn lijn wijst erop dat de vis zich nu bij mij gemeld heeft. Met zijn tweeën kunnen we met de nodige moeite een meerval van 1 meter lang en ruim 5 kg zwaar uit het water tillen. Onze magen zullen de komende twee dagen niet te klagen hebben.

Aanhoudende regen ‘s nachts zorgt ervoor dat we vast komen te zitten. De rivier is bijna 2 meter gestegen in 4 uur tijd en stroomt gevaarlijk snel, allerlei bomen en planten met zich meevoerend. ‘s Middags ga ik met Antunish op zoek naar anacondas. We lopen door moerassige stukken met veel heliconias: enorme bontgekleurde bloemen verwant aan de bananenplant. Er staan enkele gigantische bomen en veel dikke stekelige bamboes die je vanuit de boot steeds langs de oever kan zien groeien.
De volgende dag is een zware dag, omdat we het hele traject nu terug moeten. Dat betekent in de praktijk 9 uur lang op het water, grotendeels in de regen, die er met bakken tegelijk uitkomt. Echt regenwoud nu! Eindpunt is Timias waar we dit rivier gedeelte begonnen zijn. Doodmoe komen we aan.

Onze tocht voert nu weer terug door de bossen. Onderweg zien we zelfs een harpijarend en een kleine rivierotter. Een paar maal moesten we een rivier oversteken. Na een aantal flinke heuvels, komen we bij een zeer eenvoudig leegstaand hutje boven op een heuvel aan: Shiram Pupunas. Hier slapen we de laatste nacht in het oerwoud.
De volgende dag lopen we in fors tempo nog 6 uur en bereiken een weg. Hier hoort tweemaal daags een bus langs te komen.

Het aankomende geronk van de bus maakt een onverbiddelijk einde aan bijna 2 weken oerwoud. Een tijd waarin ik een beetje als Shuar geleefd heb, maar vooral een tijd waarin ik de stilte van het oerwoud heb ervaren.
Voor mij zag zeker gedurende de eerste tochten alles in het bos er eender uit. Een grote verzameling groene tinten en vormen. In de loop van de tijd groeide mijn kennis en ontzag voor de paradijselijke groene ‘hel’.
Als bioloog had ik een eenzijdige kijk op het regenwoud, in die zin dat ik het alleen zag als een ecosysteem en een plek waar talloze voorbeelden van biologische hoogstandjes te zien waren.
Door de tijd die ik met de Shuar in het bos doorbracht, kwam daar het gevoelselement bij. Ik merkte hoe zwak een westerling is en hulpeloos in het oerwoud, hij is materialistisch en verliest zijn band met de natuur.
De Shuar voelen zich uitermate thuis in het oerwoud. Ze kennen de rijkdom die het herbergt en de gevaren die er zijn. Zonder inspanning lopen ze over nauwelijks zichtbare paden met een enorm gevoel voor richting en zonder moeite vinden ze in het bos de planten en vruchten die ze kunnen gebruiken.
Voor mij is het oerwoud meer en meer een soort levend wezen geworden. Een ongrijpbaar gevoel dat er ‘iets’ hangt in het bos als ik er doorheen loop. Geen angst maar een groeiend ontzag voor het bos maakt zich van mij meester. Ik voelde mij een klein beetje Shuar geworden.

Beklimming van Cotopaxi en Chimborazo in Ecuador.

Ik zit nu in de hut El Refugio op 40 meter hoogte (Mount Blanc hoogte dus). We, dat wil zeggen mijn reisgenoot Marnix, ik en Fritz een Duitse alpinist, gaan vannacht van start om de Cotopaxi te beklimmen. De Cotopaxi is de hoogste actieve vulkaan en de op een na hoogste berg van Ecuador. Hoewel er meerdere bronnen zijn, is de Cotopaxi waarschijnlijk 5897 meter hoog. Niet gering dus. Hoewel de Cotopaxi actief is, levert dat geen gevaar op. Hoogstens wat zwavel wolken en een beetje gerommel als je op de kraterrand staat.

In Quito hebben Marnix en ik pikkels, stijgijzers en gamaschen geleend bij Oswaldo Garces, een Ecuadoraanse klimmer. Fritz ontmoetten we in Quito in het gringo hotel Gran Casino. Met elkaar spraken we af om de Cotopaxi te gaan doen. Prachtig natuurlijk. Vanuit Quito met de bus naar Macachi, een klein dorpje ongeveer 25 km. van de hoofdstad vandaan. Vandaar meteen soort taxi. naar de hut El Refugio op 5000 meter hoogte. We werden op 4600 meter hoogte op een parkeerplaats gedropt, en moesten over een uit vulkanische as bestaand pad 200 meter stijgen. Een opwarmer, maar behoorlijk tegenvallend als je net 2200 meter bent gestegen vanaf Quito.

Zwaar hijgend kwamen we om 13.00 uur in de hut aan. Veel slaapruimte. Verder nauwelijks iets te krijgen, wel een keuken en iets wc-achtigs. We waren alle drie wel enigszins aan de hoogte aangepast. Marnix en ik hadden al een half jaar in Bogota gewoond (2650 meter hoogte), en toen gewerkt tussen de 3000 en 3500/3600 meter hoogte (dagelijks op en neer gaand). Fritz had al de Tungurahua (5061 meter hoogte) en Iliniza (5263 meter hoogte) beklommen en was ook op hoogte. Ik had net de voorgaande dag weer eens diarree en koppijn zodat ik niet erg fit was. De avond voor de beklimming waren Marnix en ik niet al te best. Weinig adem, koppijn en ik met nog een extraatje dus. Om 6-7 uur naar bed en om 1.50 uur op en 2.00 uur op pad. Ik had nauwelijks geslapen, omdat een stel Amerikanen herrie hadden gemaakt en omdat we te veel ademnood hadden. Fritz was in goede conditie, ik voelde me nu ook al een stuk beter en Marnix maar een klein beetje. Samen net een Canadees en een Engelsman gingen we op pad. Eigenlijk nog met drie Ecuadoraanse jongens, die ons achterna kwamen. Ze hadden een zaklamp, een pikkel, twee stokken en een paar stijgijzers en geen besef van wat hun te wachten stond. Na een half uur door de sneeuw (bevroren) en 45 graden omhoog en veel waarschuwingen van mij dat ze beter naar huis konden gaan, draaiden ze om.

Wij dus op pad. De route zou duidelijk zijn; omdat de vorige dag veel mensen omhoog waren geweest. De avond ervoor had het echter flink gesneeuwd, ongeveer 10-15 cm. en nog wat gehageld. Alle sporen zouden ondertussen dus wel weg zijn. De vorige dag hadden we mensen zien afdalen en dachten we de route dus wel te kunnen vinden.

In het donker net lampen op pad. We noesten twee gletsjertongen over steken, dan over een grote rug omhoog, rechts langs ‘n grote rotswand, Yanacocha, en rechtdoor naar de top, tevens kraterrand van de Cotopaxi.

Helaas vonden wij een nieuwe route. De normale route was na 20 minuten al spoorloos, zodat we vage resten van sporen volgden langs een verijsde sneeuwhelling (40-45 graden steil). Dit leek niet goed, omdat er erg veel spleten waren (hele grote en vele kleintjes). Michelle en Hillary verkenden een stuk. Dat leek goed, dat wil zeggen: het ging omhoog en was veilig. Maar na een half uur bleek dat we goed verkeerd zaten. Boven ons een rotshelling met dunne sneeuw. Links hoog ‘n heel steile sneeuwhelling (50 graden). We zijn een stuk de rots op gegaan. De rug die we moesten volgen was onzichtbaar. Na ‘n poosje zijn Michelle en Hillary terug gegaan om het goede pad te zoeken. Wij gingen gedrieën de sneeuwhelling op. Schuin traverserend op de stijgijzers kwamen we na 150 meter bij 2 grote seracs uit. Weer schuin omhoog traverserend naar rechts over een groot sneeuwveld, weer erg steil. Diep beneden ons zagen we de twee lichtjes van Michelle en Hillary. Na een tijd waren ze verdwenen, en bleek zoals ze later vertelden dat ze niet omhoog kwamen. Ze waren ook vanwege hoogteziekte va Michelle, terug gegaan (om de volgende dag alsnog omhoog te gaan). Wij stegen moeizaam tot een hoogte van 5200 meter en bereikten een spletenrijke zone. Rechts boven ons ‘n twee tot drie meter hoge ijswand met prachtige ijs vormen.

We gingen links omhoog langs een enorme kloof (ongeveer 10-15 meter hoog) met 15 meter hoge wanden en veel ijsgrotjes). Geen doorgang! Ondertussen wisten we dat we een flink eind naar rechts moesten om de rug te vinden. Toen zijn we tussen een paar enge spleten over een 70 graden steil wandje op handen en voeten langs de ijswand gekropen en omhoog om de ijswand heen waar we eindelijk twee vlaggetjes zagen. Dat was de geplande route over de rug. Als we die niet snel gevonden zouden hebben betekende dat terug langs diezelfde (omlaag en gevaarlijk) of een andere te zoeken weg. Ondertussen werd het schemerig en gingen we verder omhoog. Tot een hoogte van ongeveer 5650 meter betekende dat gewoon recht omhoog richting top.

Langzaam aan, zigzaggend langs enkele grote spleten, met verder weg schitterende ijswanden, ging het over de firn. In de verte beneden, de meest prachtige kleuren, de gigantische kegelvormige schaduw van de Cotopaxi, wolkendekens met daar bovenuit de toppen van Chimborazo, Iliniza-noord en zuid, El Altar, Ruminahui, Antisana, Sanaurco en nog een stel kleine vulkanen. Tot 5650 meter hoogte ging het redelijk goed, niet snel maar wel omhoog. Vanaf deze hoogte werd het doorbijten We dachten de top al te zien, toen bleek dat hij nog 200 meter hoger lag. Tweehonderd verschrikkelijke meters nog. Hele zachte sneeuw, enkel tot knie diep, 45 graden helling in stikhete zon en met een ontzettend fel licht (zelfs door de sneeuwbril nog redelijk fel). Alle drie waren we bekaf, al 900 hoogtemeters. geklommen, al 6 uur onderweg en een hoop kracht verloren toen we fout zaten. Deze 200 meter kosten ruim anderhalf uur, maar ondanks alle gevloek en kleine inzinkingen werd dit goed beloond. Op 5897 meter hoogte lag toen eindelijk voor ons de krater van de Cotopaxi. 500 Meter in doorsnede en ongeveer 700 meter diep met besneeuwde rotsen en en rookwolk onder in de diepte, zwavelluchtjes in de neus. Eindelijk boven. Om 2.15 uur vertrokken. Om 10.00 uur boven (1 uur verloren aan de foute, nieuwe route). Om 10.15 uur naar beneden en om 14.00 uur weer terug in de hut.

De terugtocht duurde een beetje langer (meestal 2-3 uur, nu 3.25 uur). Omdat het geweldig mooi weer was, warm, prachtige uitzichten en zoals te verwachten hier en daar half gesmolten plakkerige sneeuw. Soms snel, vaak echter langzaam dalend en de sneeuw uit de stijgijzers kloppend. We zijn volgens de normale route afgedaald en achteraf wel min of meer blij dat we een foute route hadden gekozen. Die was namelijk veel mooier en moeilijker. De laatste loodjes van de tocht vielen onverwacht tegen voor mij. Ik kreeg ineens pap in de benen en viel op een horizontaal stuk om de haverklap en bleef een meter of twee lager met de pikkel in de sneeuw hangen. Erg vervelend, maar het was maar 200 meter lang, dit rottige steile stukje. Om 2 uur lag eindelijk de hut voor me, heerlijk.

Dat was de Cotopaxi, mijn eerste echte beklimming op 0.5 graden Zuiderbreedte. De volgende dag om het verhaal af te maken, zijn we nog 1000 meter afgedaald, tot we bij een oud lava meer terechtkwamen, waar de weg omheen liep. Daar kregen we na een half uur een lift naar Banos (op 1800 meter).

30 december, Banos

Chimborazo

Het tweede verhaal uit Ecuador, is een beschrijving van de tocht naar de Chimborazo. Marnix, Fritz en ik willen nu de Chimborazo beklimmen. Nu het nog kan wil ik alvast iets over deze berg vertellen. De Chimborazo is de hoogste en grootste berg van Ecuador. Al zijn de bergen in de Himalaya hoger; toch is de Chimborazo letterlijk de hoogste op aarde. Dit omdat de aarde ellipsvormig is en de Chimborazo vanaf het middelpunt van de aarde gerekend het verste weg is, en het dichtst bij de zon staat.

De eerste beklimming vond in januari 1880 plaats door Edward Whymper. Zes eerdere pogingen vanaf 1735, mislukten steeds. In juli herhaalde Whymper de beklimming met vier anderen, maar moest door een onverwachte uitbarsting van de vulkaan weg vluchten. Tegenwoordig is de Chimborazo een populaire berg, door velen al beklommen. Wij gaan route twee doen.

2 Jan. Refugio Whymper 50 meter hoog.

De klim is twee dagen uitgesteld wegens oudjaar. Dat hebben we met veel buitenlanders, andere Nederlanders en het hele dorp samen gevierd. Katers op 1 januari en nu 2 januari eindelijk in de hut. Marnix is ziek geworden en in Banos gebleven. Met de bus richting Guaranda tot op een pas van 4000 meter gestegen. Rondom ons heen ligt een hoogtewoestijn van vulkanische as, rotsblokken, enkele lavastromen en hier en daar graspollen en wat kleine planten. Een straffe wind en fris. Tot de hut 12 km. lopen en 1000 meter stijgen.

Na een half uur hadden we al een lift van dagjesmensen tot 200 meter onder de hut. Het stukje naar de hut ging goed, beetje koppijn die nu al weer weg is. Vannacht om 12.00 uur opstaan. Volgens de berichten is de route prima te zien en in goede conditie.

De route.

Vanaf de hut rechts omhoog door zand en stenen tot de graat (200 m. stijgen). Dan de graat volgen tot een hoge verbrokkelde rotswand. Daar een doorgang zoeken in een van de spleten er dan op een sneeuwveld omhoog en naar de linker graat traverseren. Linkergraat volgen en om de Veintimilla piek links. Daar over een zadel naar de 50 m. hoge echte piek. Dit alles in 8-10 uur volgens de gids.

Om 1 uur ‘s nachts vertrokken Fritz en ik. Na een half uur had Fritz zijn hoofdlamp het begeven. Dicht achter elkaar omlaag naar de graat en richting rotswand. Tot aan de wand, na ongeveer drie uur, ging het redelijk tot moeizaam. Wegzakkende voeten, koud en slecht licht. Maar goed, eenmaal op de sneeuw zou het wel vlotter gaar. Tot aan de rotswand hier en daar wat sneeuw en ijs.

Toen werd het onduidelijk hoe verder te gaan. We zaten bij een vlaggetje, dus goed. Links naar een opening in de rotsen, waar Fritz bijna uit flikkerde, 50 graden puur ijs, 20-30 meter omhoog. Dit was te moeilijk, hier zouden we ijsschroeven voor nodig hebben. Rechts omhoog misschien. Rugzak af en ik ging ‘n eind omhoog, om een paar hoge rotsblokken heen, en botste op drie sleuven tussen de rotsen in. Ook vol met ijs maar het leek me wel mogelijk. Fritz erbij gehaald, hij keurde het af. Ondertussen werd het al wat drukker bij het vlaggetje. Twee Zwitsers en zes Ecuadoranen van de Nuevos Horizontes Club. Deze laatste groep wilde langs de ijsbaan omhoog.

Wat ze precies gingen doen was onduidelijk. Maar zoals later bleek hadden ze een touw omhoog gebracht en het met ijsschroeven gezekerd. Wij besloten te wachten tot het licht werd. Ondertussen waren er weer twee Duitsers bij gekomen. Toen het na een half uur bibberen licht werd, ging Fritz terug (van beide stijgijzers was een stuk afgebroken), vlak daarop ging ook een Duitse vrouw naar beneden, evenals een voor mij onbekend aantal van de Ecuadoranen.

Een andere mogelijkheid om verder te komen, leek een grote sneeuwhelling links van ons. Twee Duitsers probeerden het. Maar het was erg stijl en erg vervelend ijs, waar je eigenlijk met twee pikkels en gezekerd omhoog zou moeten gaan. De Duitsers wilden ook teruggaan. Het lukte niet om met een van hun verder te gaan. Het zou nu waarschijnlijk toch te laat zijn om verder te gaan, zonder op de terugweg gehinderd te worden door half gesmolten sneeuw, Ik wilde wel verder maar niet alleen. Iedereen dus maar naar beneden. Met tegenzin, het had volgens mij wel gekund om door een opening in de rotsen verder te komen.

Halverwege de terugweg kwamen we de Ecuadoranen tegen, die ons vertelden dat drie van hun groep, al door waren naar boven over de ijsplaat heen (kostte hun wel een uur!). Hadden ze ons dat nu maar eerder verteld, want ze hadden het touw laten hangen voor de terugtocht. Wij hadden zo allemaal verder gekund. Nu was ‘t te laat, helaas. Wij zagen later nog twee anderen die via een snellere route waren gegaan, op grote hoogte heel langzaam voortgaan.

Ze vertelden ons ‘s middags dat ze nog nooit zo’n maffe berg hadden beklommen. Alles steil (minimaal 40 graden of meer) harde sneeuw, soms te voor de stijgijzers, geen goede rustplaatsen en heel erg moe. Een troost voor ons maar de kater blijft. Hopelijk krijg ik nog eens de kans om de Chimborazo te bedwingen.

Uit het dagboek van een Nijsaccer in den vreemde (*).

De tip van twee Duitsers volgend, wilde ik met mijn maat Wim een 4-5 daagse tocht door de Sierra Nevada de Merida maken. De eerste 2-3 dagen zou een alternatieve route worden met een kladpapier als kaart. Daarna zouden we bij Pico Bolivar (5007 m), de route uit ons gidsje volgen, terug naar Merida. Het kladje heeft ons in de meest prachtige valleien en kloven doen belanden. Echter via routes die we niet gepland hadden. Wel volop cross- country en avontuur.

Dag 1: La Mucuy-Laguna Coronata.
Met een flinke voorraad eten dat op een houtvuur klaar gemaakt moest worden, trokken we erop uit. Dat betekende 1 dag stijgen van de bossen op zo’n 1800 m. hoogte, tot net boven de boomgrens op 3000-3200 m.
Een goed pad voerde ons door weelderig nevelbos, met veel boomvarens, mossen en bromelia’s, die als sluiers aan de bomen hingen. De steile paden werden door talrijke stroompjes onderbroken. Af en toe kwamen we echter een forsere stroom tegen, die vanwege het grote verval zijn aanwezigheid ruim van te voren aankondigde. Schoenen uit, door het water heen waden, drogen en weer verder. De bossen maakten een geweldige indruk op me.
Het nevelbos verandert in nevelbos. Dit hangt een groot deel van de dag in de wolken, dus regent het er vaak. Maar het heeft iets paradijselijks. Nog meer epifyten (planten die op, in of aan bomen groeien) en indrukwekkende bomen.
Het modderige pad leidde naar een hut, waar we vanwege de vochtigheid met moeite een maaltijd klaar maakten. Aan het eind van de middag nog een obstakel. Weer een ruisende rivier, waar we met veel moeite heelhuids overheen kwamen. Vallen betekende een fikse afdaling. Met een touw lukte het om de rugzakken over te gooien. Dat kostte wel een paar ijskoude voeten en enkele sneden vanwege de scherpe stenen. Vrij snel daarna bereikten we Laguna Coronata, waar we inmiddels doorweekt, de resten van een stenen hut vonden. Daar kampeerden we. Droog hout was er niet, dus met een reep chocolade en een boterham naar bed.

Dag 2: Laguna Coronata- Laguna Verde.

’n Dag met veel regen, af en toe zon om op te drogen en fantastische vergezichten. Het pad, voor zover aanwezig, voerde door de voor de Andes zo typische paramo. De paramo wordt gekenmerkt door de vele ‘frajelones’ ook wel Espletia geheten. Grote rozetvormige planten in diverse formaten, tot 1 m. doorsnede en afhankelijk van de soort tot 2 m. hoog.
Ze zien er ongeveer uit zoals op het bovenste plaatje hiernaast. In Afrika komen analoog aan de Espletia’s ook dergelijke planten voor, de zgn. Senecios (reuzenkruiskruid). Deze planten zijn uniek voor het tropisch hooggebergte.

Terug naar de wandeling. Deze dag weer afwisselend qua moeilijkheidsgraad. We hebben diverse derdegraads stukjes met de rugzak op moeten tackelen. Het pad was meestal erg moeilijk te volgen of afwezig. Maar goed, de richting klopte toen nog. Aan de voet van de zoveelste waterval tussen een aantal stroompjes bivakkeerden we. Gelukkig konden we die dag 2x droog hout vinden en lekker warm eten.
Dag 3: Laguna Verde-?

Hier begon het echte spoorzoeken. Vanaf deze dag raakten we het pad kwijt en zijn we met kompas en natte vingerwerk verder gaan lopen. Laguna Verde hadden we snel bereikt. Door steile wanden omgeven lag het daar diep groen te zijn. Langs de noordkant klommen we via een steil pad omhoog en weer omlaag. Ook hier stukjes die ik niet graag nog een keer zou willen afklimmen. Spannend! Volgens ons kaartje moesten we het dal helemaal uitlopen en vervolgens westwaarts. Maar hoe?
Geen pad meer te bekennen. Afgezien van allerlei koeienpaadjes. Langs een helling voerde een soort pad omhoog zagen we na een poosje zoeken. Dat zou het dan wel zijn. Na een klim van anderhalf uur, op een erg steile helling, zaten we knap hoog. Hoe hoog precies was onduidelijk, waarschijnlijk hoger dan 4000 meter. Maar nu? Hoe verder?. Er was maar een pad en dat liep de verkeerde kant op: oostwaarts. Terwijl we westwaarts wilden. Foute boel. We besloten om maar een end westwaarts te struinen in de hoop het goede pad weer tegen te komen. Na een paar uur met veel regen en slecht zicht zagen we vanaf ‘n kam in de verte Laguna Sueno liggen, met een hutje aan de oever. Daar moesten we heen en dat betekende dus weer een stuk in dezelfde vallei afdalen en weer omhoog aan de overzijde. De hut, geheel uit aluminium, was provisorisch gemaakt, koud maar droog. We hebben de tent maar binnen opgezet; zodat die kon drogen en om het zelf warmer te hebben. Die nacht, ook weer zonder warm eten, vroor het licht.

Dag 4: Waar?

Met uitzicht op de gletsjer van Pico Humboldt vlak boven ons en zijn buurman Pico Bonpland ingepakt en een traverse over een graat gemaakt. Toen over een zeer vermoeiende en erg steile puinhelling. Boven aangekomen, op een hoogte van ruim 4000 m. zagen we ten noordwesten de 2 andere pieken van de Sierra Nevados; Pico Polivar (5007 m.) en Pico Espejo. Volgens plan zouden we het dal aan de westkant moeten volgen en voorbij Pico Espejo noordwaarts draaien.
De enige route die aannemelijk leek, was om het dal te volgen. De spaarzame markeringen bevestigden dit. De uren die volgden waren vol met ruig terrein, puin, glibberige stenen, mist, regen en af en toe opklaringen. De markeringen waren na enige tijd niet meer te vinden. We vermoedden al dat we verkeerd waren. Het kompas draaide steeds zuidelijker. Westelijk lopen leek onmogelijk, gezien de steile hellingen. We besloten om de rivier die in het dal liep, maar te volgen. Die zou ons wel naar Los Nevados leiden. Dit was het hoogstgelegen dorp in Venezuela, op ongeveer 2500 m. hoogte.
De rest van die dag zijn we constant afgedaald. Van paramo kwamen we weer in het nevelbos. Echter heel anders dan het bos van de eerste dag. Waar we nu in terecht gekomen waren, deed heel oud aan. Lage, kronkelige bomen, waarvan de takken overladen waren met mossen en baardmossen. Vrijwel elke vierkante centimeter was met mos overwoekerd. Naast de vele kruiden vonden we weer een nieuwe Espletia, die er ongeveer zoals hiernaast getekend, uitzag.

‘s Middags vonden we onder een paar grote rotsblokken een bivakplaats met een voorraad droog hout. Eten dus en nog warm ook deze keer. Na nog een paar uur lopen ontdekken we in de verte weer een hut. Het eerste teken van aanwezigheid van mensen. Het pad kruiste nog enkele malen de rivier. Deze keer waren er houten bruggetjes, een luxe. De hut was gesloten en verlaten, zodat we aan de rivier op een weitje kampeerden. Droog hout was er deze dag niet meer.

Dag 5: De laatste dag.

Vol goede moed weer verder. Of we goed liepen was niet echt meer van belang. We konden alleen maar verder het dal in. Na een half uur zonneschijn, begon het weer te regenen. We waren vroeg op pad gegaan, om 7 uur, zodat we die dag een flink eind op konden schieten. Nu hadden we ook begrepen dat we niet in het dal naar Los Nevados waren, maar ergens oostelijk daarvan. In de loop van de ochtend kwamen we vaker hutjes tegen, meestal hoog tegen de helling gelegen. De boeren verbouwden hier wat aardappels. Waar ze verder van leefden was niet duidelijk. Bij de eerste gelegenheid vroegen we aan een ons tegemoetkomende jongen, waar we waren en waar Los Nevados lag. Hij scheen daar nog nooit van gehoord te hebben. Verder zou dit dal ook nergens naar toe voeren, zei hij. Wel was er een dorpje, 2 uur verder zuidwaarts. Prachtig allemaal. Ik dacht dat we voorlopig wel konden fluiten naar Los Nevados. Goed, dan maar naar dorpje X? De naam kon ik niet verstaan. Weer omhoog, een paar meter verder en dan over een bergrug. Weer een fantastische route. Uiteindelijk bereikten we in een bocht van het dal een aantal verspreid liggende hutten. Op de hellingen was de vegetatie verwijderd en gras gezaaid of werden aardappels verbouwd. We vroegen weer de weg, en ja hoor, Los Nevados kende men wel, 3 uur lopen, westwaarts. Westwaarts betekende dat we gigantisch waren omgelopen. Maar nu wisten we in ieder geval waar we waren en welke kant we op moesten. Gewoon het dal uit, een duidelijk pad volgend.
Binnen 4 uur bereikten we Los Nevados, waar we meteen de attractie van de dag waren. Dit pittoreske dorpje kon ons van drankjes, chocolade en arepas (een soort pannenkoekjes voorzien. Vlak voor we Los Nevados (met ongeveer 100 inwoners) bereikten, kon een boer ons vertellen dat er elke 8 dagen een auto van daar naar Merida ging. Die dag ook weer, aan het eind van de middag. Verder navragen leverde ons een lift op. De volgende middag om twee uur ’s middags (dag 6), zouden we terug naar Merida. Terwijl het buiten donker was geworden, doken we ons tentje in, hopende dat de elektriciteitsgenerator later zou uitgaan, en dat er de volgende dag inderdaad een auto zou zijn.

Samenvattend: 5 dagen lang een pittige tocht, onvergetelijke landschappen. Zonder brandstof en zonder iemand te zijn tegen gekomen. Aanbevolen, maar wel genoeg eten, dat niet gekookt hoeft te worden, meenemen. Ik denk aan snoepjes, biscuitjes, kaas, chocolade, rozijnen en muesli, oplosdrankjes, crackers, druivensuiker, enzovoorts.

(Nijsac: Nijmeegse studenten alpinistenclub, verhaal uit 1985)

The Yunga Cruz Inca-trail – een Engelstalig verslag van een natte trektocht.

As you all know, around La Paz there are several Inca-trails. Most trails are not very well preserved, but still there are many wonders of old ‘´road ‘´construction to be seen along the way. Together with some friends I planned on walking the so-called Yungacruz trail, a 5-day traject in 4 days, because we wanted to spend Newyear ‘´s eve in Chulumani at the end of the trail.

The first day two friends gathered at my place to divide our stuff. We missed our bus of course ‘ Sunday morning is not a good day to start a trip- and so we rented a taxi to Lambate. The driver had a nice time, enjoying the spectacular scenery of the valley of Palca. He had never been out there before. The views of Mururata and Illimani were fabulous. We passed tiny settlements and after some hours the driver got a little worried about how far away Lambate was. I comforted him, saying that we were almost there. I had never been to Lambate either, so with my vague map and a lot of optimism, we arrived after 3 ‘½ hours. Lambate is a nice quiet village at 3.400 meters, looking into the deep Chungumayo valley. We unloaded the car and waited for the drizzle to stop. Our cabdriver left a bit worried, probably about some muddy sections on the road, were we got stuck before.
A faint sun showed itself and we took of. Each of us carried between 15 and 23 kilos. After a relaxing 3 ‘½ hours walking, first along the road then across some trails downhill, we arrived at the river (2.500 m) and made our first camp. We blocked the trail a bit, as we noticed when some locals came along with their livestock. Luckily our tent was not red. The sound of the river was calming. A good nights rest was ahead. We were happy to be outdoors.

The next morning we headed for Quircoma, an tiny settlement. We had to climb over 1.800 meters to reach a pass at 4.300 meter. After 7 hot hours with beautiful scenery with mountain forest, treeferns and many epifyths, we saw our first watersupply. It was a small river cascading down the hill in a fairytale like valley. We were thirsty, since along the way all streams had dried up. So did we! But there is more liquid in a can of sardines then you will believe. My mates were exhausted, so we made camp. The end of the valley was marked by a semicircle of vertical rockslopes with small waterfalls. Hummingbirds were buzzing around, pollinating the many flowers. After a copious dinner we turned in.

The following day we left with a hot sun and tried to find our way out of the valley. Another trail further back we ignored, wanting to have some crosscountry trekking. This we had to pay for. After an hour or so of beautiful elfin forest we climbed up a steep hillside scattered with spiny bromeliads. It took us 5 hours to force our way up a steep crevasse to reach a flat area, maybe 400 meters higher than our campsite. Rain started, the fog closed in on us and we couldn’t see anything anymore. Our map was of little help, but with my compass and thanks to the short moments when the clouds broke away, we found our way out through a small gorge. The sun appeared again and showed a spectacular view of Cerro Khala Ciudad ‘the stone mountain- with a large though cold looking lake in front of it. We also saw the right trail coming up a small parallel valley.

From now on the Inca trail was very clear and professionally constructed. We rounded the lake and climbed the pass. Rain was getting annoying now and temperature had dropped. But the scenery still made us exclaim regularly oohs and aahs. Fresh mountain lion excrements greatened our imagination of being out in the wild. After the pass, visibility was about 20 meters and we continued through a mysterious landscape with dampened sounds of birds. Finally, after I called Inti to show its face, the sun cleared away the fog, it got hot and we took a ‘´dry our clothes ‘´- break. Deep below us was an isolated valley covered with cloudforest. Cerro Yunga Cruz was in front of us. We soon reached the cloudforest again. A wetsuit and some water-skis would have been the appropriate clothing for this stretch, I thought, while water was pouring out of my shoes. I accelerated to look for a campsite, with one hour of daylight left. Luckily I found a nice and ‘´dry ‘´ spot. As my mates arrived we made camp and after an 11 hour hike we were satisfied but very tired.

Dawn of the last day arrived and it was dark and heavily clouded. Thunders roared not so far away. I urged to have a quick breakfast and leave at once. After half an hour descending, while lightning striked very near a few times, we reached the save forest. For the next hours we would be water-skiing downhill. Water was everywhere, the forest was extremely beautiful and alive, with lots of bamboo trying to tear the tent of my pack. We were dripping with water but good humoured. After a while one of my friends was missing. He had slipped and found himself entangled in a tree. We liberated him and with a twisted knee he continued. The sun came back and heated up the air. We lunched and hiked further downhill, until reaching the first clearings – signs of civilisation.

We could see Chulumani in front of us, but still far away. I speeded up and reached a dirt road with small farms. I wanted to arrange transportation for my mate. After a short while a pickup stopped with a very helpful driver. He was willing to drive uphill. We picked up our friends and many more people on the way to Chulumani. The overloaded pickup arrived in the pretty village. We thanked our friend and checked in at an alojamiento. We probably had a nice odour, but there was no running water. Our first beer was splendid. We were very tired but it was New Years eve. Ready to party. When at half past ten all electricity went off, it was going to be difficult for the bands to play their music. We were in the only restaurant that had its own powering and could see the crowd lighting their fireworks and slowly disappearing after midnight. We crawled back to our hotelcito and fell asleep.

With lots of adventurous experiences in a unforgettable landscape we had accomplished our Yungacruz variant from Lambate. Next time we will take porters, add an extra day and it will be relaxed.