Venuzuela info – NL

Share this

gran sabana

Eriocaulaceae, Gran-Sabana

Algemeen

Venezuela is een bijzonder land met een enorme rijkdom aan planten en dieren en een scala aan zeer afwisselende natuurlijke landschappen.

De eerste Spaanse bezoekers waren al van het land onder de indruk en maakten rond 1800 op primitieve wijze ontdekkingsreizen in Venezuela. Ze waren te voet of te paard soms maanden onderweg. Tegenwoordig kan men heel wat comfortabeler door Venezuela reizen. Ook nu nog is er veel van de ruige natuur terug te vinden, al reikt de beschaving langzaam maar zeker tot in de verste hoeken van het land.

De belangrijkste landschappen/gebieden die Venezuela kenmerken zijn:

Andesgebergte: bergbossen.
Orinoco stroomgebied: savannes, moerassen, wetlands, delta, rijke fauna.
Zuidoostelijk tropisch regenwoud, indianen.
Zuidwestelijke hoogland van Guyana. Tafelbergen en savannes.
Kustgebieden met mangrove, droog bladverliezend bos, vogeleilanden, stranden en onderwaterfauna.

Geografie en geologie

Venezuela heeft een oppervlakte van ruim 900.000 km2 en is daarmee bijna 4 maal zo groot als West-Duitsland. Van noord naar zuid meet het land maximaal 1217 km en van oost naar west bijna 1500 km. In het noorden grenst het land aan de Caraibische zee en in het noordoosten met de Orinoco-delta aan de Atlantische oceaan. Venezuela heeft een kustlijn van ruim 2800 km lengte! De buurlanden zijn Colombia in het westen, Brazilie in het zuiden en Guyana in het oosten. Het land wordt in vier grote geografische regios ingedeeld.

Zoals uit de tekst zal blijken vallen de geografische regio’s vrij nauwkeurig samen met de klimaatregio’s en met de verschillende vegetatiezones.

Het bekken van Maracaibo

In het noorden ligt het bassin van Maracaibo, een zeer vlak gebied, rijk aan aardolie. Hier ligt het grote meer van Maracaibo, een oude binnenzee, met een oppervlakte van ruim 13.000 km2. Het omringende gebied is niet hoger dan 60 m.

Het Andesgebergte

Dit gebergte dat langs de westkust van Zuid-Amerika loopt, heeft een uitloper die het landschap in West-Venezuela bepaald. De hoofdtak wordt door de Cordillera de Merida gevormd. Het Merida gevormd. Het hoogste gedeelte hiervan is de Sierra Nevada de Merida, met als hoogste bergtop Pico Bolivar ( 5007 m). Een tweede uitloper is de Cordillera de Perija, die de noordwestelijke grens met Colombia vormt. De hoogste berg hier is de Cerro Tutari met een hoogte van 3750 m. De voortzetting van de Andes naar de kust bestaat uit twee delen. De Cordillera de la Costa, welke direct langs de kust bij Caracas loopt en de Cordillera del Interior, die hieraan parallel loopt en tot bijna aan de Atlantische kust reikt.

Het Orinocobekken

Een groot deel van het land wordt ingenomen door het laaggelegen Orinoco-bekken. Het totale stroomgebied van de Orinoco is 880.000 km2 groot. Het grootste deel hiervan, 640.000 km2 ligt in Venezuela. De rivier is erg breed, ruim 600 m. Het gebied noordelijk van deze machtige, 2000 km lange rivier bestaat uit uitgestrekte natuurlijke savannes met rivierbossen en moerassen. Dit zijn de llano’s. Ten zuiden van de Orinoco liggen daarnaast ook oerwouden in de provincies Bolivar en Amazonas. De monding van de Orinoco in het noordoosten, wordt gevormd door een zeer grote delta. Hier splitst de Orinoco zich in 17 takken op. Bij elkaar wordt ieder jaar ongeveer 300 miljoen kubieke meter slib afgevoerd en voor de delta in de oceaan afgezet. Behalve de Orinoco zijn er nog een aantal belangrijke rivieren zoals de Caroni in de provincie Guyana; de Apure in de llano’s. en de Caura in Bolivar. Jaarlijks brengen alle rivieren samen naar schatting 1110 miljard kubieke meter water in de oceaan! In de regentijd staan grote delen van de llano’s. onder water.

Het hoogland van Guyana

Het landschap in de provincie Guyana vormt wellicht het meest indrukwekkende deel van Venezuela. Dit is een deel van het schild van Guyana, een zeer oud bergmassief. Door erosie is het sterk afgevlakt. Deze regio bestaat uit twee verschillende gebieden. Tussen de Orinoco en de zesde breedtegraad liggen savannes op een hoogte van 200 tot 500 m. De bergketens Sierra de Imataca en de Sierra de Nuria die hier liggen, zijn zeer rijk aan mineralen. Zuidelijk van de zesde breedtegraad ligt de Gran Sabana. Deze regio ligt op gemiddeld 1000 m hoogte. Het landschap is afwisselend en indrukwekkend met wilde rivieren, talrijke watervallen, savannes, oerwoud en imposante, bijna loodrecht omhoogrijzende tafelbergen, de tepuis. Tepuis zijn resten van bijna 2 miljard jaar oude zandsteenplateaus. Daarmee behoren ze tot de oudste oppervlakte gesteenten ter wereld. In dit deel van Venezuela staan meer dan 100 tepuis, met namen als Aparaman-tepui, Chimata-tepui en Murisipan-tepui. Vanaf de 2.450 m hoge Auyan-tepui stort ‘s werelds hoogste waterval, Salto Angel, neer. Deze waterval heeft een hoogte van 979 m. Westelijk van de Gran Sabana liggen diverse indrukwekkende maar moeilijk toegankelijke bergen, als de Cerro Duida en Cerro Yavi.

De kust

Speciale aandacht geldt de kust, die als vijfde regio kan worden bestempeld. De kust ten oosten van Barcelona is zeer fraai. Veel van de mooiste baaien zijn verdronken dalen die door stijging van de zeespiegel in het verleden onder water kwamen te staan. De kust ten westen van Barcelona tot aan Cabo Codera is heel anders van karakter. Hier is een directe verbinding met de llano’s., door het ontbreken van een kustgebergte. Verder westelijk tot Puerto Cabello is het kustgebergte bepalend voor het landschap. Hier hebben zich meerdere bergterrassen gevormd en vindt men maar weinig, vaak gei soleerd liggende baaien. De kust van West-Venezuela rond Maracaibo is erg vlak. Hier wordt veel sediment aangevoerd uit het meer van Maracaibo.

Hiernaast een overzicht van de geologische gebieden in Venezuela.

Based on: geology.about.com

Klimaat

Venezuela ligt in de tropen tussen 2 en 12 graden noorderbreedte. Dit betekent dat het hele land een tropisch klimaat heeft. Het belangrijkste kenmerk hiervan is dat de gemiddelde dagtemperatuur door het jaar heen weinig verandert, meestal niet meer dan vijf graden.

In het grootste deel van het land is sprake van een droge tijd (verano – zomer) en een regentijd (invierno – winter). De meeste regen valt in de periode mei-september. In deze periode ligt Venezuela in het bereik van de inter tropische convergentie zone. Dit is een atmosferische storing zone die als het ware rond de evenaar zwalkt en regen brengt. Van oktober/november tot in april is het overal veel droger. Nu geldt de invloed van de noord oostpassaat die relatief weinig vocht met zich mee draagt. Alleen als de lucht tegen de bergen moet stijgen, brengt deze neerslag.

Als er geen hoogteverschillen in het land zouden zijn, dan zou het van noord naar zuid, richting evenaar, steeds natter worden en de droge tijd steeds korter en minder uitgesproken. Deze gradient van noord naar zuid is toch goed terug te vinden als we de verschillende klimaat regio’s onder de loep nemen. De klimaat regio’s’ vallen min of meer samen met de geografische regio’s. Elke klimaat regio heeft een typische vegetatie zone, die de optimale plantengroei bij het betreffende klimaat weergeeft.

In het zuiden van Venezuela zien we een nat tropisch klimaat. Hier wordt het klimaat voornamelijk bepaald door de zogenaamde equatoriale lucht massa’s die de lucht massa’s die veel regen brengen van april tot oktober. Gedurende de overige maanden komt de wind vooral uit het noordwesten en brengt een minder regenachtige periode. Per jaar valt hier meer dan 2.000 mm regen. In San Carlos de Rio Negro in de provincie Amazonas valt zelfs 3521 mm regen! In deze zone is het gemiddeld 28 graden het hele jaar door. Bij dit klimaat hoort tropisch regenwoud.

Ook in de laag gelegen regio ten zuiden van het meer van Maracaibo en in de Orinocodelta is het klimaat nat en vochtig. Hier is echter een korte droge periode aanwezig. De voet van de Andes ten zuiden van Maracaibo is zeer nat met een neerslag van ruim 4.500 mm per jaar. Bij deze klimaat zone hoort tropisch nat bos.

In de lage llano’s en in delen van de laagvlakte rond het meer van Maracaibo en in een aantal kust regio’s heerst een savanne klimaat. Hier is de droge tijd uitgesproken duidelijk aanwezig. Deze duurt vijf maanden. In de regentijd valt er jaarlijks tot 1.800 mm regen. Het is dan vochtig en heet (tot 30 graden). In de droge tijd is het ook warm met een temperatuur van 28 graden. De vegetatie die hier het best bij past, is de gras savanne. Lokaal komen er verspreid staande bomen in voor of zijn er kleine lage bosjes. Langs de rivieren vormen zich zogenaamde galerijbossen of palmbossen.

Tussen de zone met een savanne klimaat. en de zone van tropisch nat bos is een duidelijke overgangs zone aanwezig. Deze komt voor in het westen van het land en in de Orinocodelta. Langs grote delen van de kust en op de meeste eilanden is het erg droog. Hier heerst een echt droogte klimaat met vegetatie van doornstruiken en succulenten. Het regent weinig, ongeveer 600 mm per jaar. Het meest extreme droogte klimaat heeft het schiereiland Paraguana en de landengte van Coro. Hier is het zeer droog met een jaarlijkse neerslag van 450 mm. Ook in de dalen die achter het kustgebergte liggen is het klimaat zeer droog.

Zoals reeds gesteld, bei nvloedt het relief het klimaat in sterke mate en verstoord de noord-zuid gradient die hiervoor beschreven is. Op basis van de hoogte boven de zeespiegel wordt het land daarom in vier verschillende hoogte zones ingedeeld.

tierra caliente, de hete zone tussen 0 en 800 m. hoogte.
tierra templada, de gematigde zone tussen 800 en 2.200 m.
tierra fria, de koude zone tussen 2.200 en 3.200 m.
tierra helada, de ijzige zone vanaf 3.200 en hoger.

Tierra caliente omvat de hiervoor reeds besproken gebieden. Overdag is het er heet (28-30 graden) en ‘s nachts koel (20-24 graden).
Tierra templada wordt in twee zones verdeeld. De submontane zone tot een hoogte van 1.500 m kenmerkt zich door aangename temperaturen van 18-22 graden in de droogste maanden en 23-29 graden in de natste maanden. Tussen 1.500 en 2.200 m ligt de montane zone, waar het koeler is (14-18 graden). In beide zones kan het overdag nog wel aangenaam warm zijn, maar ‘s nachts is het hier fris.
Tierra fria ligt tussen 2.200 en 3.200 m. Het wordt gekenmerkt door aangename dag temperaturen rond 24 graden en koude nachten (10-12 graden). Nachtvorst kan voorkomen.
Boven een hoogte van 3200 m begint de koudste zone: tierra helada. Overdag is het koel en ‘s nachts ligt de temperatuur rond het vriespunt.

Vegetatie en flora

De plantenwereld is buitengewoon gevarieerd. Er zijn bijvoorbeeld meer dan 500 soorten orchideeen bekend, 100 soorten varens en meer dan 45.000 verschillende andere bloeiende planten. Door de grote variatie in klimaat, kent het land een veelheid aan vegetatietypen, elk met hun bijbehorende fauna. Op basis van de variatie kan de volgende indeling van vegetatietypen gemaakt worden. Deze is overigens een voorbeeld van de verschillende bestaande indelingen.

Vegetatie indeling van noord naar zuid:

droogtevegetatie bestaande uit cactus-halfwoestijn en doornstruikvegetatie.
bladverliezend bos bestaande uit droog tropisch bos, droog passaatbos en nat passaatbos
seizoensbos.

Met toenemende hoogte verandert de vegetatie op de noord hellingen van de bergen als volgt:

cactus-halfwoestijn of doornstruikvegetatie.
bladverliezend bos
semi-altijdgroen bos tot 800 m.
zeer vochtig wolkenbos tussen 800 en 1800 m.
montaan nevelbos tussen 1800 en 3400 m.
struikvegetatie aan de bosgrens, ook chivirital genoemd.
andiene graslanden of paramo.
sneeuwgrens, 4850 m.

Op onderstaande afbeelding is deze zonering zichtbaar gemaakt. De hoogtebegrenzing van de verschillende boszones is lokaal variabel.

De savannes ontbreken in deze beide indelingen. Het voorkomen van dit vegetatietype is namelijk afhankelijk van de bodemsoort. Andere vegetatietypen waar dit voor geldt zijn: mangroves langs de kust, strandvegetatie, moerasbossen en zoutmoerassen. Een aantal van deze vegetatietypen worden nog uitgebreid besproken. In het hierna volgende zullen de verschillende vegetatietypen worden besproken.

Droogte-vegetatie

In noordwest Venezuela en aan de zuidkant van de Andes vinden we verschillende vormen van aan de droogte aangepaste vegetatie. De lage neerslag, minder dan 700 mm per jaar, heeft tot gevolg dat er gedurende de droge maanden een watertekort is. De planten moeten hieraan aangepast zijn, willen ze kunnen overleven. Door vorming van kleine blaadjes met een leerachtig of wasachtig oppervlak kan verdamping worden geminimaliseerd. Ook het laten vallen van de bladeren is een oplossing.

Soms neemt dan bij enkele boomsoorten de stam, door de aanwezigheid van chlorofyl, de functie van het blad over. Doornen zijn speciaal gevormde bladeren, die ook een minimale verdamping garanderen. Opslag van water in stam en stengels -succulentie- is een laatste aanpassing aan de droogte

De bodem in deze gebieden is vaak arm aan voedingsstoffen. Door gebrekkig wortelen kunnen de planten de bodem ook moeilijk vasthouden, waardoor erosie makkelijk optreedt. In het meest extreme geval verdwijnt daardoor de vegetatie bijna volledig. Dit is het geval bij Coro waar zwerfduinen gevormd zijn. (zie verder bespreking strandvegetatie). De twee belangrijkste droogtevegetaties zijn de cactus-halfwoestijn en de doornstruikvegetatie.

Cactus-halfwoestijn

Als voorbeeld nemen we een sukkelentenbos bij Carora (zie bijgaande afbeelding). Door de hier voorkomende rode en witte (kalkhoudende) bodem, spreekt de lokale bevolking van ‘tierra roja y blanca’, land waar niets mee te beginnen valt. De soortenrijkdom is erg laag. Er zijn in totaal 48 soorten planten bekend, waarvan er maar 28 vaker voorkomen.

De cordonal bestaat uit boomvormige cactussen en kleine xerofytische (aan de droogte aangepaste) bomen. Daardoor wordt een vrij gesloten kroondak gevormd. De dominerende tot 5 m hoge zuilvormige cactussen zijn Cereus lemairei (1) en C. griseus (3), Cephalocereus moritzinanus (2). Een andere interessante boom is Cercidium praecox (familie Caesalpinaceae) die een groene boomschors heeft. Hierdoor kan hij ook zonder bladeren voldoende assimileren. Belangrijke planten uit de struiklaag zijn: Acacia tortuosa, Mimosa leiocarpa (7) en Prosopis juliflora.

In de ondergroei zijn Opuntia wentiana (5) en O. caribaea (6) algemeen, naast de kogelvormige Melocactus caesius (4) en Mammilaria simplex (13). Ook groeien er diverse Croton soorten. Op de boomvormige cactussen kan men de bromelia Tillandsia flexuosa (14) vinden. Vrij algemeen zijn ook diverse soorten korstmossen. Overige soorten: Capparidae (8), Malvaceae (12), Jathropa/Croton (11), Ipomoea carnea (10).

Doornstruik vegetatie

Hoewel de naam niet de indruk wekt, is de espinar eigenlijk een bostype, met kleine 5 tot 10 m hoge bomen waartussen op de grond kleine struikjes, verschillende kruiden, grassen en grondbromelias (Pitcairnia maidifolia, 5) groeien. De belangrijkste bomen behoren tot de geslachten Acacia (1), Mimosa en Caesalpina en Cassia, allen behorende tot de familie Leguminosen. Deze bomen vormen afgeplatte kronen en hebben kleine blaadjes. Vele bloeien bovendien erg fraai, zoals de Cassia die een gele bloesem draagt. Een bijzondere bebladerde boomvormige cactus is Pereskia colombiana (4). Enkele andere typische bomen die hier voorkomen zijn de espinar cactus (Cereus jamacuru, 2), de fraaibloeiende frangipani (Plumeria alba, 3) en Bursera graveolens met een succulente stam. Daar in de droge tijd een watergebrek heerst, is de bodem maar karig begroeid. Daarom is de totale soortenrijkdom hier ook niet zo groot met zo’n 35 soorten. Het is bekend dat ten gevolge van degradatie door brand uit bladverliezend bos ook doornstruikvegetatie ontstaat. Of er zelfs wel natuurlijke doornstruikvegetatie voorkomt is niet geheel zeker. Overige soorten: Croton rhamnifolia (6), Bastardia visosa (7), Pfaffia resinoides (8), Graminae/Cyperaceae (9), Arabidia sp. (10), Evolvulus felipe (11).

Bladverliezend bos

Deze naam geeft aan dat we te maken hebben met een bostype, waarin de meeste bomen in de droge tijd (onder invloed van de passaat) hun bladeren laten vallen. Dit voorkomt dat ze anders door watergebrek zouden dood gaan. Daar de lengte van de droge tijd variabel is, kan men ook niet van 1 type bladverliezend bos spreken. Algemeen worden er daarom meerdere typen onderscheiden, die in elkaar overvloeien: het droog tropisch bos, droog passaat bos en nat passaatbos.

Droog tropisch bos of alisio bos

We spreken van droog tropisch bos, als er aan het eind van de droge tijd bijna geen groene bladeren meer aan de bomen te ontdekken zijn. In dit type droog bos komt de droge tijd het meest duidelijk tot uitdrukking. De plaatsen in de wereld waar dit bostype voorkomt, zijn vaak niet geheel oorspronkelijk meer, omdat er in gekapt is. Een aantal zeer waardevolle houtsoorten die hier voorkomen zijn teak in zuidoost Azie en mahonie in Afrika en in Zuid-Amerika. Door de relatief goede bodem is wereldwijd ook nogal wat bos door cultivatie aangetast of verdwenen. In Venezuela komen nog grote hoeveelheden alisiobos voor. Bij El Sombrero in de westelijke llano’s, ligt een alisiobos gebied. Hier heerst een droge tijd van 5 maanden. In dit bos is maar 2% van alle boomsoorten altijdgroen. Er zijn ongeveer 170 plantensoorten bekend.

Droog passaatbos

Op een aantal plaatsen in de llano’s komt droog passaatbos voor. Vroeger was dit bostype meer verspreid dan nu. Op de plaatsen waar dit bos voorkomt, is de droge periode van 3 maanden iets korter dan bij het voorgaande type. Dit komt dan ook tot uiting in het aantal altijdgroene boomsoorten van 21%. De bomen vormen een gesloten vlak kronendak van gemiddeld 8 m hoogte. Bijgaande afbeelding illustreert dit aan de hand van een diagram van het droge passaatbos bij Quiriquire in de llano’s bij de plaats Maturin.

De boom Luehea candida uit de familie van de lindeachtigen domineert in de boomlaag. Een aantal andere frequente soorten zijn: Tababuia spectabilis (Bignoniaceae) die prachtig bloeit, Pithocellobium caraboboensis (Mimosaceae), Spondias mombin en Astronium graveolens (beide Anacardiaceae). Buiten de grootste bomen is er maar weinig lagere begroeiing te zien. Een aantal kleine bomen behoren o.a. tot de soorten Lonchocarpus sp. en Plathymiscium sp. (beide Pappilionaceae). Veel opvallender is de rijkdom aan lianen, ongeveer 20% van alle soorten. In totaal zijn er 62 plantensoorten bekend uit dit bostype.

Nat passaatbos

Aan de Rio Caura in het zuiden van Venezuela vinden we een ander type passaatbos, dat een voorbeeld geeft van de overgang naar de bossen die niet meer door een droge tijd bei nvloedt worden. Hier heerst een 2 maanden durende droge tijd, die wordt afgewisseld met een natte periode waarin maar liefst 2885 mm regen valt. Het aantal altijdgroene boomsoorten is hier hoog met 80%. Veel planten hebben relatief grote bladeren, wat door de voldoende hoge neerslag mogelijk gemaakt wordt. Immers als het te lang erg droog zou zijn, dan zou dit in het nadeel van de plant uitwerken. Opvallend is ook dat er vrij veel (21%) soorten zijn met driptips (zie intermezzo). Het bos ziet er door de grotere rijkdom aan soorten en groeivormen weelderig uit. Er zijn een aantal soorten palmen en allerlei soorten struiken, kruiden, lianen en epifyten. Men onderscheidt meestal twee vegetatielagen in nat passaatbos (zie afbeelding). Dit in tegenstelling tot het drogere passaatbos. Onder de hoogste boomlaag, die tot 30 m rijkt, is er een tweede boomlaag met een hoogte van gemiddeld 20 m.

Seizoensbos

Hier hebben we bijna met het echte regenwoud te maken. Dit bostype vinden we daar waar de droge tijd tot 1 maand gereduceerd is. De invloed hiervan is minimaal, wat blijkt uit het hoge percentage altijdgroene bomen, 90% of meer. Typische voorbeelden van seizoensbos vinden in de Gran Sabana. Hoewel de naam anders impliceert, is er in deze regio nog altijd meer (seizoens-)bos dan grassavanne. De bossen maken een weelderige indruk, zolang er geen verstoring door mensen is. Daar is dit bostype erg gevoelig voor. Er zijn 56 soorten bomen bekend uit seizoensbos. Ook hier worden voor de bomen weer twee hoogteniveau’s onderscheiden (zie afbeelding). Het hoogste zeer gesloten kroondak wordt gevormd door bomen van 20 m. Daaronder is de tweede laag met bomen tot gemiddeld 12 m. De meeste bomen zijn leden van de families der Lauraceae, Leguminosae, Meliaceae en Bignoniaceae. In tegenstelling tot in de droge bostypen, vinden we hier nog een derde plantenivo, dat erg rijk is aan verschillende planten. We zien hier struiken (Piperaceae, Melastomataceae, Rubiaceae), kleine palmsoorten (Geonema) en boomvarens (Cyathea). Op de voet van de bomen groeien dikke pakketten mossen en levermossen (Bryopteris, Leucobryaceae en Hepatica). Lianen en epifyten zijn niet erg talrijk doch zeker aanwezig. Onder de epifyten vallen vooral de Araceae (Aronskelkachtigen) op. Tot slot is de aanwezigheid van veel planten met getande of gekartelde bladeren, vaak met driptips, opvallend. Dit wordt vaak als een zeer karakteristiek kenmerk van dit type bos gezien.

Plantengroei in de bergen

Zoals in de inleiding al werd vermeld, is er in de bergen een duidelijke zonering in bostypen waar te nemen (zie plaatje aan begin hoofdstuk). Aan de voet van de bergen zien we eerst de drogere vegetatietypen weer optreden. Doornstruikvegetatie en bladverliezend bos bepalen het beeld tot ruim 1000 m. Het bladverliezend bos krijgt daarna een altijdgroen karakter. Door een hogere luchtvochtigheid neemt in dit semi-altijdgroene bos, het aantal bomen die hun bladeren niet afwerpen, toe tot meer dan 90%. Op een hoogte van ongeveer 800 m. begint een bostype dat nog niet eerder besproken is. Dit is het wolkenbos.

Wolkenbos

De wolkenbossen zijn een typische tropische verschijning. In Venezuela is een van de best ontwikkelde wolkenbossen te zien in het westelijk van Caracas gelegen nationale park Henri Pittier in het kustgebergte. De aanwezigheid van wolkenbos wordt niet zozeer bepaald door een vaste hoogte, maar door de aanwezigheid van een zogenaamde condensatiezone. De lucht die aan de kustzijde van de bergen opstijgt koelt af en gaat wolken vormen. In de aldus ontstane zone ontwikkelt zich een weelderig bostype, het wolkenbos. Dit wordt aan de onderkant begrensd door semi-altijdgroen bos en aan de bovenrand waar het bos laag wordt en de bomen kronkelig zijn door het zogenaamde hoogmontane dwergbos. Deze laatste zone is afwezig in het kustgebergte omdat dit niet voldoende hoog is. Wolkenbos ziet er weelderig uit en is erg soortenrijk. Tellingen hebben meer dan 1100 soorten planten opgeleverd, afkomstig uit meer dan 120 plantenfamilies. Daarvan zijn bijna 200 soorten bomen.

We zien in wolkenbos geen duidelijke gelaagdheid. Alles lijkt door elkaar heen te groeien en met elkaar verstrengeld te zijn. Het tot 35 m hoge kroondak is onregelmatig van vorm en bestaat uit veel verschillende boomsoorten als Ecclinusa sp. (Sapotaceae), Ocotea sp. (Lauraceae), Ficus toduzii (Moraceae) en Cinchona henleana (Rubiaceae). Een aantal bomen hebben opvallende wortels. We zien plankwortels en boogvormige steunwortels. Deze zijn voorzien van speciale plantencellen, die de gaswisseling van de boom vergemakkelijken. Onder het kroondak groeien tal van andere bomen, palmen als Euterpe edulis, Iriartea fusca, Hypospathe pittieri en boomvarens. Op de grond groeien tal van kruiden, waaronder gemberachtigen (Zingiberaceae), banaanachtigen (Heliconiaceae), palmachtigen (Asplundia en Cyclanthus, familie Cyclanthaceae). Ook zien we diverse ons bekende kamerplanten als Dieffenbachia maculata, Xanthosoma sagittifolia, Aphelandra micans, Calathea en Stromanthe soorten.

Montaan nevelbos

Het wolkenbos geeft de hoogtezone aan waarde regenval maximaal is in de bergen. Op grotere hoogte vanaf ongeveer 2000 m is een zone waar het niet zoveel meer regent, doch waar een dichte natte nevel vaak voorkomt. Dit is de zone van het montane nevelbos. De bodem is humusrijk en jk aan mineralen. Aan het begin van deze zone is het bos nog vrij hoog. Als voorbeeld bekijken we een montaan nevelbos bij La Carbonera , gelegen op 2300 m hoogte in de venezuelaanse Andes (zie afbeelding).

In dit bos zijn min of meer drie boomlagen te onderscheiden. Het kroondak is 20-25 m hoog. Hiertussen staan uitschieters tot 40 m. Dit zijn vooral Ocotea en Podocarpus rospigliosi, de laatste met een prachtige rechte stam die pas heel hoog vertakt. De derde boomlaag wordt gevormd door kleinere boomsoorten en jonge exemplaren van hoger wordende bomen. Er zijn ruim 120 soorten bomen bekend van dit nevelbos. De meeste behoren tot de families Lauraceae, Myrtaceae, Moraceae. Onder op de bosbodem groeien tal van struiken en kruiden, vaak met fraaie bloemen. Door de hoge luchtvochtigheid gedijen vliesvarens bijzonder goed. In het nevelbos zien we nog meer epifyten dan in het wolkenbos. Ze vormen hier een belangrijk deel van de totale levende plantenmassa (biomassa) en zijn qua aantal soorten ook ruim vertegenwoordigd. Op een Podocarpus boom heeft men eens 60 soorten epifyten geteld! De takken van de boom waren zwaar beladen met orchideeen, bromelia`s en vele andere soorten planten. Ook epifyllen zien we weer veel, echter in mindere mate dan in het wolkenbos. Samen met het wolkenbos vormt het nevelbos de meest soortenrijke bossen van het land.

Soorten bij de nevelbos afbeelding:

Guarea (Meliaceae)
Ilex sp.
Beilschmedia (Lauraceae)
Meriana (Melastomataceae)
Cyathea (boomvaren)
Weinmannia (Cunoniaceae)
Podocarpus
Billia (Hypacast.)
?
Clusia (Guttiferae)
Myricanthes (Myrthaceae)
Myrcia (Myrthaceae)
Ocotea (Lauraceae)
?
Myrcia (Myrthaceae)
?
Eugenia
Nectandra (Lauraceae)

Zanthoxyllum (Rutaceae)
Securdaca (Polygalaceae)
?
Podocarpus
?
?
Schefflera (Araliaceae)
Cordia
Sapium (Euphorbiaceae)

42: Sapium
43: Passiflora

Struikvegetatie aan de boomgrens

Op ongeveer 3400 m verdwijnt het nevelbos en gaat over in een bijzondere vegetatie waarin kleine boompjes en struiken domineren. De Venezuelanen spreken van chirivital. De chirivital vormt een vrij smalle vegetatieband tussen het hogere nevelbos en de graslanden op grote hoogte. Hier en daar kan chirivital tot grotere hoogten (3700 m) voorkomen. Paramo wordt niet erg hoog, zo`n 5 meter (zie afbeelding). De bomen vormen soms prachtige parasollen (Escallonia tortuosa) of zijn zodanig vertakt dat elke tak eindigt in een dicht bebladerde massa (Diplostephium venezolense).

Er zijn opvallend veel leden van de families der heideachtigen (Ericaceae), samengesteldbloemigen (Compositae) en roosachtigen (Rosaceae). Van alle 30 plantenfamilies die hier vertegenwoordigd zijn, komen er 18 ook buiten de tropen voor. De meeste planten hebben kleine blaadjes. Ook dit is een eigenschap van planten in de bergen op gematigde breedten. Daardoor is er een duidelijke verwantschap met sommige bergbossen en struikvegetaties van gematigde breedten. Deze verwantschap is nog groter in de hierna beschreven chirivital.
Het aantal soorten struiken in de chirivital is groot. Vaak hebben ze fraaie bloemen. De Gesneriaceae hebben felrode bloemen en Monochaetum u de familie van de Melastomataceae heeft talrijke kleine roze bloemen. Ook zien we veel struikheide (Vaccinium). De kruidlaag kenmerkt zich door een hoge mosbedekking, veel varens en wolfsklauwsoorten. Een aantal grassoorten (Agrostis en Cortaderia) vormen dichte pollen. We zien hier ons bekende kruiden als de boterbloem, muizenoortje, paardebloem, begonia, fuchsia en ook heel typische andere planten waaronder Pilea (een siernetel) en Calceolaria (pantoffelplantje). Een van de mooiste slingerplanten met grote trossen felrode bloemen is Bomarea u de narcissenfamilie (Amaryllidaceae). In nevelbos en chirivital hangt de bewolking heel vaak laag en drijft over en tussen de boomtoppen door. Hierdoor kunnen de bomen een behoorlijke hoeveelheid water uit de wolken filteren. Een hoeveelheid die vaak vele malen groter is dan hetgeen er aan regen valt. Dlt werkt bijzonder gunstig voor de groei van epifyten, die hier dan ook goed vertegenwoordigd zijn. De orchideeen Epidendrum en Pleurothallis zijn frequent voorkomende soorten. Enkele bromeliageslachten zijn Achmea, Tillandsia en Vriesea. Een van de kleine bomen uit de chirivital is de roosachtige Polylepis sericea. Dit boompje vormt soms tot op grote hoogte boven de boomgrens kleine bosjes. Men heeft lang gediscussieerd over de verklaring van deze bosjes. Immers de boomgrens ligt op ongeveer 3400 m. Daarboven is de gemiddelde bodemtemperat uur zo laag (minder dan 6 graden), dat bomen niet gedijen. Inmiddels is duidelijk dat we hier met een bijzondere aanpassing aan een gunstig microklimaat te maken hebben. De Polylepis bosjes groeien steeds daar op hellingen waar zich grote rotsblokken verzameld hebben. De lucht die tussen de rotsen stroomt wordt verwarmd en maakt het de bomen mogelijk hier te overleven. De Polylepis bosjes zijn een mooi voorbeeld van ecologische aanpassing in een speciale levensruimte (niche).

Andiene graslanden

In het hoogste deel van de Andes, vanaf 3400 m tot circa 4500 m, doet de invloed van de kou en nachtvorst zich sterk gelden. Hier zijn we de boomgrens gepasseerd en vinden we de zogenaamde paramo (zie afbeelding).
Het beeld in de paramo in belangrijke mate bepaald door de zogenaamde Espeletia`s. Dit zijn planten u de familie der Composieten. In Venezuela komen 54 soorten voor. Espeletia`s worden in de volksmond frailejones genoemd, omdat hun silhouet bij nevelig weer op een monnik lijkt. Zij vormen grote dicht bebladerde enorme rozetten, bestaande uit lange harige wittige bladeren. Sommige soorten worden tot 3 m hoog (E. semiglobulata en E. timotensis), waarbij de hele stam omgeven is door een dichte massa van dode bladeren. Een andere soort, E.humbertii, vertakt zich en lijkt op een boom. Espeletia schuftzii is een soort die laagblijvende rozetten vormt. Espeletia humbertii vormt op 3000 m hoogte grondrozetten, terwijl deze op grote hoogte een stam vormt. De meeste Espeletia`s hebben grote langesteelde gele of roze bloemen. Paramo`s zien er u als natuurlijke graslanden met kruiden en verspreide dwergstruiken. Veel struikjes zijn de heideachtigen (Ericaceae) en hertshooien (Hypericaceae). Een aantal planten zijn aan de kou en aan de vaak stevige, uitdrogende wind aangepast door het bezit van kleine leerachtige of behaarde blaadjes. Dwerggroei van in lager gelegen gebieden hoger wordende struiken is een andere aanpassing aan het ruwe klimaat. Op de grond groeien veel kruiden (composieten, gentianen), grassen, varens (Blechnum, Elsaphoglossum, Jamesonia), wolfsklauwen (Lycopodium) en mossen voor. In de hogere regio`s zijn er soms enorme velden van het witte korstmos Stereocaulon myriocarpum.

In de paramo onderscheid men verschillende vegetatietypen, afhankelijk van de soortensamenstelling. In de soortenrijkste typen domineert meestal 1 soort Espeletia met een dwergstruik (bv. Hypericum laricitoliium of Arcythophyllum cylindrostachya). Deze worden door talrijke (tot 54) andere soorten vergezeld. In een ander soortenarm (8 soorten) type is het de moerassige en zure bodem die voor een bijzondere soortensamenstelling zorgt. Hier vinden we het kruid Epilobium meridense veel. Op de natte grond groeien dichte tapijt vormende planten als Werneria pygmea (Compositae) en Rhizocephalum candiolelli (Lobeliaceae). Op droog terrein is de paramo erg rijk aan grassen als Cortaderia nitida, Stipa ichu en Calamagrostis coarcata). Deze grassen vormen dichte grote pollen. In het hoogst voorkomende type, dat tot aan de sneeuwgrens op 4800 m rijkt, zien we Espeletia moritzii en 3 tot 4 meter hoog wordende stammen van E. alba en E. timotense. Het gras Agrostis haenkeana groeit hier uitbundig. Een opvallend fenomeen in dit type is het voorkomen van dichte, zich cirkelvormig uitbreidende tapijten van een aantal planten. Een aantal planten die dit verschijnsel kennen zijn Aciachne pumnata, diverse Arenaria (muur) soorten en diverse Draba soorten.
De paramo heeft evenals het nevelbos een zeer belangrijke functie met betrekking tot de waterhuishouding. Bij regen, ook als die zeer intensief is, wordt het water snel opgenomen en langzaam weer afgegeven. Hierdoor wordt voorkomen dat in de lager gelegen gebieden het regenwater in te grote hoeveelheden wordt aangevoerd. Dit zou niet verwerkt kunnen worden, zeker niet als daar de bossen al verdwenen zijn. Enorme erosie van de hellingen is dan het gevolg.

Overige vegetatietypes

In het voorgaande zijn een aantal vegetatietypen besproken. Deze representeerden allemaal een klimaat of een hoogtezone. Er zijn echter ook een aantal vegetatietypen, die gerelateerd zijn aan factoren zoals bodemtype of de aanwezigheid van zeewater. Een van de meest uitgebreide van deze types is de savanne in de llano’s.

De Llano’s

We kunnen de llano’s verdelen in twee hoofdregio`s: de hoge llano’s, gelegen op een hoogte van 100 m of meer boven de zee en de lage llano’s, die omdat ze lager liggen periodiek overstroomd worden door de grote rivieren.
In de hoge llano’s zou eigenlijk bladverliezend bos moeten groeien. Want dit is het bostype dat bij het hier heersende klimaat past. De praktijk laat echter uitgestrekte graslanden zien. Deze bestaan uit het 50 cm hoog wordende (2-arig) gras Trachypogon. Hier staan verspreid kleine boompjes van onder andere Curatella americana (Dilleniaceae), Byrsonima crassifolia (Malphigiaceae) en Bowdichia virgelioides (Papillionaceae) tussen in. Slechts hier en daar zijn er kleine stukjes bos, die men als matas aanduidt. Hoewel het op het eerste gezicht niet zo lijkt zijn de meeste plantensoorten in deze grassavanne geen grassen! Driekwart van de soorten zijn kruiden, struiken en bomen. Qua biomassa, dus totale hoeveelheid levend gewicht, zijn de grassen echter wel degelijk het belangrijkst. In verstoorde grassavannes zien we andere grassoorten overheersen dan in niet verstoorde. Vrijwel elk jaar, met name in het voorjaar, gaan grote delen van deze savannes in vlammen op. Men schat zo`n 27.000 km2 per jaar. Vaak is het vuur door mensen aangestoken, om meer gras voor vee te creeren. Door de branden nemen echter eiwitarme en dus minder voedzame grassen langzamerhand de overhand. Het is echter ook wel zo, dat natuurlijke branden altijd al in de llano’s voorkwamen. Brand is vrijwel zeker een voorwaarde voor de vorming van savannes. Zo kunnen slechts vuurresistente boomsoorten hier overleven.

Het ontstaan van de llano’s

De belangrijkste oorzaak voor het ontstaan van de llano’s is anders en ingewikkelder. Miljoenen jaren geleden was het Orinoco bekken een zee. Geerodeerd materiaal uit de omringende bergen vulde het bekken langzamerhand op, waardoor droog kwam te liggen. De llano’s zijn dus een bekken gevuld met kiezel en zand. Dit is in de loop van de tijd omgevormd tot een harde laag die men in het Spaans als arrecife (rif) aanduidt. Dit arrecife is 1 tot 3 meter dik en voorzien van holle ruimtes. Daardoor kan regenwater sijpelen. Het arrecife komt hier en daar aan de oppervlakte, maar ligt meestal op een diepte van 30-80 cm. De holtes in het arrecife maken het mogelijk dat boomwortels tot op het grondwater niveau kunnen komen. In de droge tijd is dat de enige waterbron om te kunnen overleven. De grond die boven het arrecife ligt is dan kurkdroog. Deze bomen kunnen nu zelfs in de droge tijd gewoon groen blad blijven dragen. Afhankelijk van de hoeveelheid gaten in het arrecife ,kunnen er meer of minder bomen van het grondwater profiteren. Zijn er veel holtes, dan groeien de bomen dicht bij elkaar. Zijn er weinig, dan groeien ze verspreid in het landschap.
Uit het voorgaande blijkt dat het arrecife een hindernis voor planten vormt. Het tegenovergestelde effect zien we als er termieten aan het werk zijn. De termieten vormen erg uitgebreide, kleine heuveltjes. De grond is hier los en verrijkt met voedingsstoffen. Deze plekken zijn daarom dicht begroeid met planten. In de savanne uit het Apure gebied, die regelmatig onder water staan, bedraagt het aantal soorten gemiddeld 48. Echte grassen en schijngrassen (cypergrassen en grasachtige bladeren vormende kruiden) maken elk de helft hiervan uit.

Pseudosavannes

In de zuidelijke en oostelijke llano’s zien we graslanden met een witte bodem. Deze grond is een verweringsprodukt van het graniet en zandsteen van de hoogvlakte van Guyana. Door de voedselarmoede van deze grond kan hier geen bladverliezend bos groeien, maar alleen savanne met als belangrijk gras Axonopus. Dit gras is aan talrijke in een bundel staande aren te herkennen. Grassen domineren hier niet. In deze zogenaamde pseudosavannes hebben veel planten echter wel grasachtige bladeren. Ze behoren vooral tot de volgende families: Eriocaulaceae, Xyrideae (vaak met gele bloemen en fijn samengesteld blad), Liliaceae, Thurniaceae en Cyperaceae. De soortenrijkdom is vrij groot met gemiddeld 70 soorten. Een bijzondere plant is Bulbostylus paradoxa, een kleine stammetjes vormend kruid. Op de vochtige soortenrijkere pseudosavannes zien we regelmatig de vleesetende plant Drosera.

Gallerijbos

Langs de rivieren in de llano’s zien we op veel plaatsen een smalle strook bos groeien. Dit is galerijbos. Door de relatief vochtige grond is een meer uitbundige plantengroei mogelijk dan op de aangrenzende savanne. Deze bossen zijn te vergelijken met de natte passaatbossen die eerder besproken zijn. Als de grond langs de rivieren regelmatig en langdurig overstroomt en op plaatsen waar depressies in de bodem voorkomen, waardoor het regenwater in de natte tijd niet voldoende afgevoerd worden, komen palmbosjes voor. Gewone bomen kunnen hier niet overleven, maar de palmen Copernica tectorum en Mauritia minor wel. De eerste soort zien we als er een periodieke overstroming is en vormt dan de palmares. De tweede palm zien we als het terrein het hele jaar door onder water staat. Deze palmbosjes worden morichales genoemd. De Mauritia palm wordt tot 17 m hoog. Op de sterk venige grond groeien kruiden die we elders niet vinden.

Mangroves

Mangroves zijn dichte tropische of subtropische kustvegetaties. Ze vormen een zoombegroeiing tussen water en land op plaatsen waar geen sterke branding is. De bomen staan in brak tot zout water op een slik bodem. Het is niet zo dat de bomen en struiken het zout nodig hebben, maar ze kunnen er in tegenstelling tot andere soorten beter tegen: ze zijn zouttolerant. Aan de kust van Venezuela komen op meerdere plaatsen mangroves voor. De dominerende boomsoorten zijn: Rhizophora mangle, Avicennia germinans en Laguncularia racemosa. Ze bereiken een hoogte van 10-12 meter. Avicennia zien we vooral aan de zeezijde, terwijl Rhizophora mangle meer landwaarts zien. Bij Rhizophora mangle is de onderkant van de boomkroon als het ware afgeschoren. Dit geeft het niveau van de waterstand bij vloed aan.

Het meest kenmerkende aan mangrovebomen is hun opvallende wortelstelsel (zie afbeelding). De rode mangrove (Rhizophora) heeft luchtwortels die aan de stam ontspringen en zich vervolgens vertakken om zich goed in de bodem te verankeren. Daarnaast heeft deze soort wortels die van wel tien meter naar beneden komen en zich eveneens verankeren in de grond. De zwarte mangrove (Avicennia) doet het weer anders. Deze heeft een stelsel van onderaardse wortels die op meters afstand van de stam vertikaal opstijgen en zo een veld van kleine, uit de grond stekende takjes vormt. Men noemt ze pneumatoforen, ‘luchthappers`. Al deze speciale wortelstelsels dienen dus enerzijds als verankering, anderzijds als hulpmiddel bij de gaswisseling van de plant.

In de mangroves van Venezuela kent men zo`n 13 boomsoorten, evenals een 15-tal struiken en kruiden. Een belangrijke boom is Pterocarpus draco, een boom die prachtige geplooide plankwortels vormt en een slanke rechte stam heeft. Hij wordt ruim 15 m hoog. Ook deze boom is zouttolerant. Opvallend is dat er veel al dan niet epifytische kruiden uit de familie van de aronskelken (Araceae) voorkomen. Philodendron laciniatum bijvoorbeeld heeft enorme diep ingesneden bladeren. Prachtige hartvormige bladeren heeft de plant Montrichardia arborescens. Deze plant kan wel 8 m. hoog worden! Als epifyt groeiend zijn een aantal soorten varens (o.a. Nephrolepis biserrata en Vittaria lineata met langwerpige bladeren). Mauritia setigera is een mooie palmsoort met grote waaiervormige bladeren. Deze groeit verspreid tussen de bomen, samen met Ficus angustitolia en Clusia sp. en Euterpe sp.
Mangroves herbergen een grote hoeveelheid dieren. Op de wortels groeien o.a. zeeegels, sponzen en oesters en talrijke roodwieren. In het water bewegen zich allerlei vissen, krabben, kreeften, garnalen en inktvissen. Vele dieren gebruiken het ondiepe, voedselrijke water van de mangrove als broedkamer. Het grote voedselaanbod trekt vele steltlopers aan, zoals roze lepelaars en ibissen, en natuurlijk de echte viseters, zoals pelikanen en ijsvogels. Men kan hier, net als in ons waddengebied, grote aantallen vogels aantreffen. Het aantal verschillende soorten is echter beperkt.

Soorten bij de afbeelding:

1: Rhizophora mangle
2: Pterocarpus draco
3: Clusia sp.
4: Montrichardia arborescens
5: Anthurium pentaphyllum
6: Anthurium englerianum
7: Philodendron sp.
8: Polypodium phylliditis
9: Clivia sp.
10: Heterostemon minosoides
11: Nephrolepis biserrata
12: Vittaria lineata
13: Mauritia setigera

Strandvegetatle

Langs het grootste deel van de kust van Venezuela heeft de branding vrij spel en wordt de kust door zandstranden gevormd. Deze zijn begroeid met planten, waarbij er landinwaarts een aantal zones worden onderscheiden. De winde soort lpomoea pes caprae groeit met lange in het zand wortelende uitlopers. Deze plant houdt op deze wijze, net als de hier ook voorkomende Canavallia ( Leguminosae), het zand vast. lpomoea kan door speciale klieren op het blad zout uitscheiden. Sesuvium portulacastrum is een van de weinige andere plantensoorten die we in deze zone tegen komen. De eerste struiken verschijnen en versnellen het proces van het vasthouden van zand. Daardoor kunnen zich ook weer bomen vestigen en ontstaat een open kustbos. Een bijzondere en algemene struik op het strand is de stranddruif Coccoloba uvifera (Polygonaceae) die eetbare vruchtjes vormt. Van de zeer giftige euphorbiasoort Hippomane mancinella zegt men dat eronder slapen gevaarlijk is in de tijd dat de bloemen stuifmeel produceren. Als dit naar beneden dwarrelt kan het in de ogen komen en irritaties veroorzaken. De belangrijkste bomen zijn Teminalia catappa met grote stugge bladeren, Hibiscus tiliacea met sierlijke lindeachtige bladeren en Calophyllum inophyIum. De vruchten van al deze bomen kunnen blijven drijven in de zee en dragen zo bij aan de verspreiding van de soort.
Op enkele plaatsen langs de kust hebben zich meertjes gevormd. De Laguna de Tacarigua is hiervan een voorbeeld.
Het ontstaan van deze meertjes is als volgt. Er is een stukje kust nodig waar een kleine baai ligt. Als deze parallel aan de kustlijn loopt, wordt zand zijwaarts verplaatst en in de vorm van een zandbank afgezet. Als dit proces ver genoeg doorgaat wordt de baai afgesloten en heeft zich een meertje met zout water gevormd. Hier kan nu mangrove gevormd worden, waarin de sterk zoutresistente mangroveboom Avicennia domineert. Als door langzame uitdroging de zoutconcentratie te hoog wordt, ontstaan er vrijwel kale vlaktes. Op kleine zandheuveltjes die door de wind gevormd zijn, groeien alleen kaktussen (o.a. Opuntia) en de bromeliasoort Bromelia humilis. Deze planten zijn erg gevoelig voor zout. De cactussen vormen alleen in de regentijd speciale zuigwortels, waarmee ze het regenwater kunnen opnemen. Door wateropslag in het plantenweefsel hoeven deze planten in de droge tijd geen contact met het zoute water te maken. De aanpassing van de bromelias bestaat hieruit dat ze in de door bladeren gevormde trechter water opslaan, dat vervolgens door de bladeren wordt opgenomen. Dit verschijnsel is te zien bij Chichiriviche. De bromelias groeien soms in zo grote groepen bij elkaar, dat er tussenin op de niet zoute grond weer andere struiken of bomen kunnen leven. In dit stadium spreken we al van cactus-halfwoestijn. Deze is voorheen reeds besproken.

Een bijzonder interessant duingebied zien we bij Coro (zie afbeelding). Door zandbankvorming is er in het veeden een verbinding ontstaan tussen het eiland Paraguana en het vasteland. Tussen Coro en La Vela liggen langgerekte duinen. Ze lopen parallel aan de windrichting en zijn tot 412 m hoog 1 Op het kaartje zien we zuidelijk van de weg Coro-La Vela een zoutwatermoeras, dat ontstaan is uit een droog gevallen meer.
In het duinencomplex van Coro kunnen we een aantal verschillende zones onderscheiden. De eerste duinen aan de kust zijn klein (50 cm hoog) en begroeid met Sesuvium portulacastrum. Wat verder landinwaarts liggen hogere duinen, die voornamelijk begroeid zijn met de struik Prosopis julifIora. Deze struiken kunnen als ze door zand onder gewaaid raken, gewoon doorgroeien. Een andere struik met gele bloemen is de ‘abrojo’ (Tribulus cistoides). Aan de basis van deze plant groeit de zeldzame parasiet Lennoa madreporoides met minuscule blauwe bloemetjes die net boven de grond staan.
Aan de voet van de duinen groeien de grassen Aristidae venezuela en Sporobolus virginius. In de dalen tussen de duinen staan voornamelijk cactussen (Lemaireocereus griseus, Opuntia wentiana, Melocactus caesius) en enkele soorten struiken (Acacia macrantha, Erythroxylon sp.) en een paar Croton soorten (Euphorbiaceae).
Achter deze duinen liggen grote zandruggen die ook met Prosopis struiken begroeid zijn. Opvallend bij deze struiken is dat ze altijdgroen zijn en blijkbaar ondanks de droge tijd toch voldoende water kunnen bemachtigen. Het losse zand van al deze duinen wordt door de wind meegevoerd en op de landengte noordwestelijk van La Vela weer op het strand afgezet en vormt zo een strook Prosopis duinen langs de kust. Door de vaak krachtige wind verwaaien deze duinen westwaarts en blijft er maar een smalle strook duinen over.

Meer info in het Spaans: www.forest.ula.ve/~rubenhg/vegetacion/

Nationale Parken in Venezuela

De geschiedenis van de nationale parken in Venezuela gaat terug tot in de dertiger jaren. De wetenschapper Henri Pittier maakte zich grote zorgen om de toenemende ontbossing, de bevolkingsgroei en de industrialisatie. Door zijn bemoeienis werd het eerste nationale park, Henri Pittier, in 1937 opgericht. In 1952 volgde het nationaal park van de Sierra Nevada de Merida.
Niet lang daarna werd de Sectie van de Nationale Parken gesticht bij het Ministerie van Landbouw en Veeteelt. Dit was in 1958, toen tevens de parken El Avila bij Caracas en Guatopo werden opgericht.
In de navolgende jaren werden diverse andere parken gesticht in het hele land, alsmede een aantal zogenaamde Natuur Monumenten. Ondertussen ging de overheidstaak over in de Direccia‘³n de Parques Nacionales van het Ministerie van Milieu en Natuurlijke hulpbronnen (Ministerio del Ambiente y Recursos Naturales Renovables).
Momenteel is nog ongeveer 59% van het land begroeid met natuurlijke vegetatie. Dit is ongeveer 59 miljoen hectare, waarvan men schat dat 29 miljoen hectare land commercieel aantrekkelijk bos bezit.
Bijna 40% van het land wordt op een of andere wijze beschermd. Het huidige protectiesysteem van Venezuela is een van de meest uitgebreide van heel Zuid-Amerika. Onder het beschermde bos valt ook bos dat dient voor selectieve houtkap. Dat houdt in dat er niet meer dan 5-10 bomen per hectare bos gekapt mogen worden. Men streeft er naar om de huidige 2.5 miljoen hectare bos waarvoor kapvergunningen zijn uitgegeven, uit te breiden tot 5 miljoen hectare.
De bossen in het laagland van Venezuela zijn in hoog tempo gekapt in het verleden. Van 3 miljoen hectare in 1950 is er nu nog maar 300.000 hectare over in een bosreservaat. Alle andere bos is gekapt en omgezet in voornamelijk weilanden. Reden genoeg om de bescherming van de laatste stukken natuur, ook in ander gebieden dan het laagland, kracht bij te zetten.

De belangrijkste huidige nationale parken en natuur monumenten worden hieronder genoemd, samen met een aantal karakteristieken.

Henri Pittier

Dit is het oudste park van het land. Oorspronkelijk heette het Rancho Grande. Henri Pittier ligt in het centrale gedeelte van het kustgebergte. Het rijst aan de kust op tot een hoogte van 2436 met als top Pico Cenizo. Het relief in dit park is zeer afwisselend. Door de vele stroompjes die van de hellingen afkomen zijn diepe nauwe dalen ontstaan. De dorpjes aan de kust liggen aan het begin van deze dalen. Alle verschillende delen van het park hebben elk een eigen karakteristieke plantengroei met een eigen flora en fauna. Men onderscheidt zeer droog bos, tropisch en vochtig tropisch bos, zeer vochtig premontaan bos en droog premontaan bos. Daarnaast zijn er mangroves en schitterende stranden. De fauna is erg rijk in dit park. Men schat dat er zo`n 520 soorten vogels voorkomen. Dat is bijna de helft van alle in Venezuela voorkomende soorten en 6.5% van de hele wereld. Een niet gering aantal dus. Daarnaast komen er veel andere dieren voor. De rijkdom van dit park en de relatieve nabijheid van Caracas hebben van Henri Pittier een onderzoeksgebied bij uitstek gemaakt. In het park ligt een biologisch station.

Morrocoy

Het nationaal park Morrocoy bestaat uit twee gedeelten. Op het vaste land ligt een uitgebreid mangrove gebied, waarin Rhizophora en Laguncularia bomen domineren. Daarnaast is er bladverliezend bos. Men heeft zo`n 300 soorten kruiden en varens uit deze bossen verzameld. Op meerdere plaatsen langs de kust zijn er zoutpannen, waar vaak grote groepen flamingo’s foerageren. Grote vogels zijn algemeen in dit park. Bijvoorbeeld pelikanen, fregatvogels, rode ibissen en diverse soorten reigers. Het mariene gedeelte bestaat uit een zeer visrijke kustzone, waarin een aantal kleine uit oud koraalrif gevormde eilandjes liggen. Rond deze zogenaamde cayos liggen onder water levende koraalriffen. De dominante koraalsoorten zijn Monastrea annularis, Acropora palmata, Diploria labyrinthiformis en het pseudokoraal Millepora alcornis. In de gebieden waar de zee ondiep is, staan grote velden schildpadgras (Thalassia testudinum).

Medanos de Coro

Ook dit gebied bestaat u een land en een manen gedeelte Het prachtige duingebied bij Coro is reeds bij de beschrijving van de strandvegetatie uitvoerig behandeld. In het park onderscheid men de volgende eenheden: de duinen die het grootste deel van het gebied innemen; de mangroven die in het zuidoostelijk deel voorkomen; de espinar vegetatie en de onderwaterplantengroei die voornamelijk u schildpadgras bestaat. Er komen niet erg veel dieren voor in de Medanos. Het zijn vooral de reptielen (hagedissen en leguanen) die we hier kunnen zien. Deze dieren voelen zich erg op hun gemak in het hete en droge klimaat dat hier heerst. De zoogdieren die er voorkomen zijn de miereneter, de vos en een konijnensoort.

Sierra Nevada

Dit nationale park is gelegen in de Venezuelaanse Andes. Hier liggen de hoogste bergtoppen van het land, Pico Bolivar 5.007 m en Pico Humboldt 4.992 m. Het park omvat een uitgestrekt paramo gebied waarin een aantal meren liggen. Deze zijn gevormd in de tijd (Quartair) dat de gletsjers uitgebreider waren dan nu. Op de lager gelegen noordhellingen ligt wolkenbos, nevelbos en chirival. De laagste zuidhellingen van de bergen zijn veel droger en vooral bedekt met doornstruiken.

Canaima

Dit grootste nationale park van Venezuela is reeds ter sprake gekomen in de hoofdstukken over de geografie en de flora. In dit landschappelijk zeer fraaie gebied staan de tafelbergen van Venezuela, de tepuis. Auyan tepui en Macizo del Chimanta zijn de twee grootste. Auyan tepui heeft een oppervlakte van 700 km2.
In Canaima vinden we de meeste echte tropische bossen van het land. Er is vochtig passaat bos, seizoensbos, galerijbos en premontaan bos dat op de hellingen van de bergen en de tepuis groeit. Deze bossen zijn soortenrijk. In La Escalera ligt een bijzonder fraai bos, met talrijke boomsoorten, veel epifyten waaronder veel orchideeen en bromelias. In totaal heeft men tot nu toe ruim 5000 plantensoorten gevonden.
Op de uitgebreide vlaktes komen verschillende typen grassavanne voor. Deze savannes zijn door de zure bodem afwijkend van de savannes uit de llano’s. Op de rotsen van de vele watervallen en stroomversnellingen groeien veel unieke waterplanten, mossen, zwammen en algen. Al deze planten zijn bijzonder goed aangepast aan de natte groeiomstandigheden. Op de tafelbergen, de tepuis, komt een zeer unieke plantengroei voor van vooral kruiden, struiken en tot 3 m hoge dwergbomen. Een belangrijk deel van deze planten is endemisch en komt nergens anders ter wereld voor.
Canaima is het leefgebied van een groot aantal zoogdieren. Bijna alle voorheen besproken dieren komen er voor. Een aantal van hen wordt echter met uitsterven bedreigd, namelijk de reuzenmiereneter, het reuzengordeldier, de reuzenotter, de jaguar en de ocelot. Ook reptielen, slangen en amfibieen zijn talrijk in Canaima.

Based on: arassari

Literatuur:

Parques Nacionales y Monumentos Naturales de Venezuela. lnstuto
Nacional de Parques. Caracas, 1978.
Animals of South Amenca. Orbis Publishing, London, 1975.
Venezuela 1, El medio y la historia. Pedro Cunili Grau, Bilioteca
Iberoamericana, Ediciones Anaya, 1988.
Venezuela II, El espejismo petrolero. Pedro Cunill Grau, Bilioteca
Iberoamericana, Ediciones Anaya, 1988.
El Onnoco y los Ilanos. J.M. Rubio Recio. Biblioteca lberoamericana.
Ediciones Anaya, 1988.
Vegetationsikologie der Tropen, Volkmar Vareschi, Veag Eugen ulmer
Stuttgart, 1980.
Vegetation der Erde, H. Wafter, 1973.
Okologie der Erde, Bd.2, Spezielle okologie der tropischen und subtropischen Zonen. UTB, Gustav Fischer Stuttgart, 1984.
Landenwijzer Venezuela, Uftgave Bijeen, Novib, jaargang ‘84f 85, nr.6.

Leave a comment

*

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.